Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.478
verontrusten, daar de vrije arbeiders hooger loon eischten,
dan de groote landbezitters wilden geven. Het parlement
vaardigde een besluit uit, waarbij ieder, die geen grond bezat,
en geen grondbezitter of handwerker diende, verplicht was,
te werken voor ieder, die'het tegen een bepaald loon van
hem vorderde, terwijl het aan vrije arbeiders verboden was,
in andere streken dan waar zij woonden, tegen hooger loon
werk te zoeken. Ofschoon op het overtreden dezer wet zware
straffen stonden, stoorden de boeren er zich zoo weinig aan,
dat men ertoe overging, de weggeloopen arbeiders op het
voorhoofd te brandmerken. Door deze bepalingen ontstond
bij de arbeiders eene groote verbittering, en de kleine grond-
bezitters, van welke men weder heerendiensten begon te
vorderen, sloten zich bij hen aan. In de steden paste men
de wet op den gedwongen arbeid niet minder gestreng toe
dan op het platteland, en daardoor hadden er onder de ge-
ringere handwerkslieden niet zelden werkstakingen plaats.
Door de ontevreden stemming, die hierdoor was ontstaan,
vond de prediking van John Wiclife veel bijval onder de
geringen.
Deze prediker te Wiclife in het graafschap York geboren,
studeerde aan de hoogeschool te Oxford en legde zich voor-
namelijk toe op het lezen van den bijbel. Al spoedig maakte
hij zich bij de hooge geestelijkheid gehaat door de vrijmoe-
digheid, waarmede hij op vele gebreken in de kerk opmerk-
zaam maakte. Hij vond echter steun bij Eduard III en toen
deze hem aan de kerk van Westbury eene prebende (eene
betrekking, waaraan een goed inkomen en weinig of geen
werk verbonden was) had verschaft, predikte hij openlijk
tegen de opperheerschappij van den paus, het canonieke recht,
den invloed der geestelijken in staatszaken, het celibaat der
priesters, de kloostergeloften, de luiheid der bedelmonniken
en het ophoopen van rijkdommen en grondbezit door de kerk.
Door deze prediking werden de hoorige boeren er opmerk-
zaam op gemaakt, dat de geestelijken, die over het algemeen