Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.477
weiden, was door de gewoonte hun recht geworden. Som-
migen van deze hoorigen behoefden slechts in de lente en in
den herfst in persoon of door een plaatsvervanger op het land
van den heer te helpen ploegen, zaaien en oogsten; anderen
moesten ook bij de overige werkzaamheden op de heeren-
hoeven , zooals bij het scheren der schapen, arbeid verrichten.
Bij verschil over de verplichte diensten deed de door den heer
aangestelde schout uitspraak, maar daarbij moest hij te rade
gaan met den hoofdbestuurder der hoeve, die door de hoo-
rigen werd gekozen, en als de verdediger van hunne belangen
en rechten optrad. Langzamerhand begonnen de heeren den
bouwgrond hunner hoeven te verpachten tegen eene zekere
som in geld of in voortbrengselen, en daardoor werd menige
boer, althans schijnbaar, de gelijke van zijn heer. Wel
moesten de tot het landgoed behoorende leifeigenen en hoo-
rigen hunne verplichtte diensten blijven verrichten, omdat zij
tot den grond, waarop zij geboren waren, behoorden, maar
toch ontstond van nu af een vrije arbeidersstand. Eeeds
vroeger had de kerk het vrijlaten van lijfeigenen en hoori-
gen, behalve op hare eigene goederen, als een vroom werk
voorgesteld; menig onvrije had zijne vrijheid gekegen door
naar eene stad te vluchten; thans deed zich de invloed van
de toeneming der bevolking gevoelen, die sedert Willem den
Veroveraar ongeveer verdrievoudigd was. Evenals zijne nala-
tenschap werden de diensten, die een hoorige voor zijn heer
moest verrichten, bij zijn overlijden onder zijne zonen ver-
deeld. Het regelen van die diensten werd daardoor voortdu-
rend moeilijker. Tevens namen de behoeften der edelen toe.
De weelde, die zich onder hen ontwikkelde, de zware on-
kosten, die de voortdurende oorlogen van hen vorderden,
waren oorzaak, dat zij sedert Eduard I aan hoorigen en
lijfeigenen de vrijheid verkochten. Eduard III zond met dit
doel afgevaardigden naar zijne landgoederen om zijne uitge-
putte schatkist te stijven. De toenemende zucht naar vrijheid
bij de boeren begon de edelen en de aanzienlijke burgers te