Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.476
flnweelen kousebaDd, waarop de woorden honi soit qui mal
y pense (geschandvlekt zij hij, die er kwaad van denkt) met
goud geborduurd zijn. Over het ontstaan van dit vreemd
devies is veel gefabeld.
Dewijl Eduard III voor zijne oorlogen voortdurend geld
noodig had, moest hij dikwijls het parlement bijeenroepen,
en verkocht hij aan zooveel steden het recht, afgevaardigden
erheen te zenden, dat eene scheiding noodzakelijk werd. Het
parlement werd nu gesplitst in een Hoogerhuis of Huis der
Lords, waarin de prelaten en hooge edelen zaten, en een
Lagerhuis of Huis der Gemeenen, dat uit de afgevaardigden
van de landedelen en de steden bestond. Het Hoogerhuis was
het gerechtshof voor de pairs en het hof van appel voor alle
standen, terwijl het Lagerhuis voornamelijk de bevoegdheid
had den koning gelden toe te staan of te weigeren.
Toen Eduard III in 1377 overleden was, volgde hem zijn
kleinzoon Richard II, wiens vader, de Zwarte Prins, reeds
overleden was, op. Het rijk verkeerde in een zorgwekkenden
toestand, want de schatkist was uitgeput en onder de lijf-
eigenen, hoorigen en kleine burgers heerschte eene groote gis-
ting. De aanzielijkste burgers in de steden zagen met min-
achting op de handwerkslieden en kleine kooplieden neer, die
wel de belastingen moesten helpen opbrengen, maar geen
invloed mochten uitoefenen op het stadsbestuur, dat uitslui-
tend in handen van eenige gegoede burgers was. De toe-
stand van de plattelandsbevolking was in den loop der eeuwen
veel veranderd. Nog waren er lijfeigenen, die in alles het
eigendom van hun heer waren en somtijds met hun gezin
verkocht werden, maar over het algemeen waren de diensten,
die zij te verrichten hadden, door het gebruik geregeld,
en kwamen zij die verplichtingen na, dan waren zij overi-
gens vrij. De meeste boeren waren hoorigen geworden. Zij
waren in 't bezit gekomen van een hutje en een stukje
grond erbij, en de vroegere vergunning^ van den heer om
op de onbebouwde streken van diens landgoed eenig vee te