Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.469
eene bul uit, waarbij hij den koning en de koningin mach-
tigde eenige inquisiteurs te benoemen.
De Spaansche inquisitie werd met goedkeuring door de
geloovige bevolking begroet, en begon haar arbeid met zoo-
veel ijver, dat zij in het eerste jaar van haar bestaan 289
ketters ter dood liet brengen. Eerst sedert 1483 echter,
toen Torquemada tot grootinquisiteur was benoemd, bereikte
zij haar toppunt van bloei. Hij richtte in versohillende deelen
des lands rechtbanken voor geloofsonderzoek op, wier aantal
langzamerhand tot dertien klom, en maakte voor het Heilige
Officie een afzonderlijk wetboek. Elk jaar moesten de ge-
loovigen op de twee eerste Zondagen der vasten in alle ker-
ken eraan herinnerd worden, dat zij verplicht waren, ieder,
dien zij van ketterij verdachten, terstond aan te klagen, al
was het hun eigen bloedverwant. Zelfs mannen en vrouwen
moesten hunne echtgenooten, ouders hunne kinderen, kinde-
ren hunne ouders aanklagen. Tot ketterij werd ook gerekend,
dat iemand op den Joodschen sabbat betere kleederen droeg
dan op de andere dagen der week, of vleesch at van op de
Joodsche wijze geslacht vee, of vriendschappelijk omging met
Joden. Het aanklagen werd zeer gemakkelijk gemaakt: men
kon het zelfs schriftelijk doen, zonder naamteekening. Zoo-
dra bij het Heilige Officie eene aanklacht tegen iemand was
ingediend, werd hij in den kerker der inquisitie geworpen,
waar hij meestal een geruimen tijd bleef, eer hij verhoord
werd. Dan werd hem de hem ten laste gelegde misdaad
medegedeeld, doch de namen van den aanklager en van de
in de zaak vooraf gehoorde getuigen werden voor hem ver-
borgen gehouden. Indien de aangeklaagde niet terstond schuld
beleed, werd hij op de pijnbank gelegd. Herriep hij de be-
kentenis, die de duldelooze pijnen hem hadden afgedwongen,
dan werd de pijnbank ten tweeden male op hem toegepast.
Op ketterij in geringeren graad stond levenslange gevange-
nis, op zwaardere de doodstraf, doch beide met verbeurd-
verklaring van goederen. Dewijl de kerk geen bloed mocht