Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.462
Een ander deel ging door de Perzische golf en dan langs
den Tigris naar Bagdad om van daar met karavanen naar de
havens aan de Oostkust der Middellandsdhe Zee te worden
gebracht, terwijl een derde handelsweg door de Eoode Zee
over Caïro naar Alexandrië voerde. De handel kreeg in laatst-
genoemde steden zulk een omvang, dat een Plorentijn, die
ze in 1384 bezocht, verklaarde, in den Nijl te Caïro meer
handelsschepen te hebben gezien, dan hij er ooit te Venetië
en te Genua had waargenomen.
Daar Indië geene behoefte had aan Europeesche producten,
moest het voor zijne waren steeds in goud en zilver worden
betaald. Hierdoor werd aan Europa zooveel edel metaal ont-
trokken, dat de mijnen van dit werelddeel, tot groot nadeel
van den handel in het Westen, niet voldoende in de behoefte
konden voorzien. Meer en meer begon men te gevoelen, hoe
voordeelig een waterweg zou zijn, langs welken de .Europee-
sche schepen de zoo onmisbaar geworden Oostersche produc-
ten uit Indië konden halen.
In 1291 waren twee Genueesche edellieden met twee
schepen uitgevaren om langs de Westkust van Afrika een zee-
weg naar Indië te vinden. Zij waren echter niet teruggekeerd,
en dit schrikte in den eersten tijd af, eene nieuwe poging
te wagen. Bovendien maakte men, gelijk gewoonlijk geschiedt,
wanneer de mensch de uitkomsten zijner redeneeringen niet
aan feiten kan toetsen, de meest dwaze gevolgtrekkingen uit
de geringe kennis, die men van de Aarde had. Voor zoo-
ver men met deze bekend was, had men opgemerkt, dat de
warmte toenam, naarmate men zich meer naar het Zuiden
begaf, en nu leidde men hieruit af, dat als men langs de
Westkust van Afrika naar het Zuiden voer, de hitte einde-
lijk zoo groot moest worden, dat de zee door de geweldige ver-
damping eene dikke brijachtige zoutmassa werd, waarin de
schepen zich niet meer konden bewegen, en dat planten en
dieren er niet meer in konden leven.
Opnieuw werd de aandacht op de landen van Oost- en