Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
PLAAT III.
1. Een galeislaaf. Sommige galeislaven waren aan ée'n, andere aan beide voeten geketend. Met die ketenen werden zij,
als zij de galeien moesten voortroeien, aac de roeibanken bevestigd. Hun hoofdhaar en hun baard werden afgeschoren,
maar de snor kou blijven staan. Als zij roeiden of water en hout voor de galei aandroegen, waren zij gekleed in een
grof linnen hemd, een grijzen borstrok, een tabbaard met eene kap van dezelfde stof, en op het hoofd eene roode muts.
2. Een Toskaansche bo.er. Zijn hoofd was gedekt door een hoed van grof stroo. Over een wollen hemd droeg hij een
baadje van grof laken met zeer korte of in 't geheel geene mouwen, en aan de beide zijden tot bijna onder de armen
open. De beenen waren gedekt door eene nauwsluitende broek, en aan de voeten droeg hij lompe schoenen met dikke zolen
om ermede op de spade te kunnen drukken.
3. De Italiaansche kooplieden uit het einde der Middeleeuwen droegen wijde, zijden broeken, die boven de knie werden
vastgemaakt, zijden kousen en in den winter een mantel van fijn laken of Florentijusche serge. In den zomer kleedden
zij zich op dezelfde wijze, maar gebruikten dan lichtere stoffen; zij droegen hoeden of mutsen naar het jaargetijde.
4. De ambtskleeding der rechtsgeleerden in Lombardije op het einde der middeleeuwen bestond in eene toga met wijde
mouwen van sierlijk gewerkt, zwart zijden damast of fluweel en daaronder een nauwsluitend zijden kleed, zijden kousen en
fluweelen pantoffels. Een baret van zijde of fluweel dekte hun hoofd.