Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
u-z
schoenen 0,48 Gld. en voor maakloon van een broek, een wam-
buis en een mantel 0,72 Gld. Tijdens het concilie te Con-
stanz kostte 0,5 K. rundvleesch 0,01® Gld.; 0,5 K. snoek
0,11 Gld.; een haring 0,00' Gld. Te Schweinfurt kostte in
1488 eene gans 0,04 Gld.; 0,5 K. suiker 3,88 Gld.; 1 K.
pepèr 0,32 Gld.
Met het toenemen der bevolking en der welvaart werd de prijs
der levensmiddelen en der landerijen hooger. Groote uitgestrekt-
heden boschland waren in bouwland herschapen, ofschoon de
overgebleven wouden nog groot genoeg waren om beren en wol-
ven te herbergen. De steeds grooter wordende behoefte aan
graan, vee, vooral paarden, en timmerhout, vestigde meer en
meer de aandacht op den landbouw, de vee- en de houtteelt,
maar naarmate die middelen van bestaan in bloei toenamen,
verbeterde het lot der boeren niet, wier lasten drukkender wer-
den, hoe meer de voorrechten van den burgerstand naast die van
den adel en de geestelijkheid werden uitgebreid. Een schrijver uit
het begin derXVIde eeuw geeft de volgende beschrijving van hun
bestaan. „De boeren leven van elkander afgezonderd met hun
gezin en hun vee. Hunne woningen zijn van hout en klei,
met den blooten grond tot vloer en met stroo gedekt. Rog-
gebrood, haverbrij of gekookte erwten en linzen zijn hunne
spijs; water en wei hun drank. Een grove linnen kiel, een
paar Buntschuch, schoenen, die met banden aan het been
waren vastgemaakt en een vilten hoed vormen hunne klee-
ding. Deze lieden hebben nimmer rust. Vroeg en laat zijn
zij aan den arbeid. Zij dragen iets van hetgeen hun akker en
hun vee opbrengt naar de naastbijzijnde stad om het te ver-
koopen en daarvoor in te koopen, wat zij noodig hebben,
want er wonen onder hen geene of zeer weinig handwerks-
lieden. Hunne heeren moeten zij het geheele jaar door dienen:
de akkers omploegen, zaaien, maaien, den oogst naar de
1) In de boerenopstanden was de Buntsohnch gewoonlijk het teeken, dat de
boeren in hun vaandel hadden.