Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.440
dwarsfluiten, trommels, doedelzakten en bazuinen de maat
aangaf. Keizers en vorsten namen niet zelden aan die dans-
partijen deel. Evenals bij den adel werden bij de rijke burger-
schap de bruiloften op eene verkwistende wijze gevierd. Dit
deden zelfs de rijke handwerkslieden. Een bakker van Augs-
burg gaf in 1493 bij het huwelijk zijner dochter aan 270
gasten een feest, dat acht dagen duurde. Er werd zooveel
gegeten, gedronken, gedanst, pret gemaakt en losbandigheid
bedreven, dat op den zevenden dag verscheidene gasten als
dood neervielen. Maar niet slechts bruiloften, ook begrafe-
nissen gaven aanleiding tot allerlei buitensporigheden. Was
de doode in het graf geplaatst, dan keerden de bloedverwan-
ten en vrienden naar het sterfhuis terug om den van ouds
gebruikelijken lijkdronk te nemen, maar deze ontaarde ge-
woonlijk in eene slemppartij.
Terwijl het ridderwezen meer en meer ontaardde, begonnen de
stedelingen door de ontwikkeling van hun handel en hunne nijver-
heid meer behoefte te gevoelen aan kennis en kunst. Door het
toenemen der persoonlijke vrijheid en stoffelijke welvaart be-
hoefden zij al hun tijd en al hunne kracht niet meer te gebruiken
om in hun onderhoud te voorzien. Van hetgeen zij meer ver-
dienden dan voor het levensonderhoud strikt noodig was, konden
zij in hun vrijen tijd een gedeelte besteden voor de ontwik-
keling van hun geest. Het gevolg hiervan was, dat de nij-
verheid en de handel van de Duitschers en Nederlanders
op het einde der Middeleeuwen boven die van andere landen
uitblonk. Geen geringen invloed hadden hierop de verbete-
ringen in het volksonderwijs, die in de Duitsche steden, op
voorbeeld der Italiaansche, waar reeds in de tweede helft
der Xll^e eeuw voor dien tijd goede volksscholen bestonden,
aangebracht waren. Ondanks de tegenkanting der geestelijken,
die de vóór de uitvinding der boekdrukkunst zoo winstaanbren-
gende schrijfkunst als monopolie wilden behouden, richtten
de burgers scholen op, waar lezen, schrijven, een weinig
rekenen en de Christelijke geloofsleer werden onderwezenl On-