Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.435
den laatsten oorlog telde men er, behalve de kinderen,
50,000 zielen en 7000 studenten. Buitengewoon is de toe-
vloed der kooplieden, maar ook buitengewoon het geld, dat
hier verdiend wordt." Maar deze schoone schildering had
ook eene keerzijde. Uit een ander schrijver van dien tijd
blijkt, dat het er met de burgerlijke spaarzaamheid en zede-
lijkheid te Weenen niet zoo rooskleurig uitzag. „Dag en
nacht wordt er in de straten met de wapenen gevochten, dan
eens tusschen handwerkslieden en studenten, dan weder tus-
schen aanzienlijke lieden en burgers of tusschen burgers
onderling. Eene kerkelijke plechtigheid eindigt zelden zonder
bloedstorting, en moord en doodslag komen vaak voor. Bijna
alle geringere burgers houden wijnhuizen en taveernen, waar zij
drinkebroers en zedelooze meisjes binnenlokken. Het volk leeft
alleen voor zinnelijk genot en verbrast op Zondag, wat het
in de week verdient. De oude, rijke kooplieden trouwen met
jonge meisjes, die, zoodra zij weduwen geworden zijn, met
den haar genegen huisknecht huwen. Men zegt zelfs dat
vrouwen, die van hare echtgenooten ontslagen wenschen te
zijn, dezen door vergift om 't leven brengen."
Moge het leven in vele groote steden minder losbandig
geweest zijn dan in Weenen, zeker is het, dat matigheid
bij de middeleeuwsche gegoeden weinig werd aangetroffen.
De opgaven van de ontzettende hoeveelheden wijn, die bij
feestelijke gelegenheden werden gedronken, wekken niet alleen
onzen afschuw, maar ook onze verbazing. Bij een jaarlijks
wederkeerend feest te Zürich werd voor iederen gast op zestien
kan wijn gerekend. Maar ook in het dagelijksch leven gaven
de gegoede Duitschers zich aan onmatigheid over. Na het
eindigen der kruistochten kwamen zij weder minder in aan-
raking met andere volken. Wel gingen nog velen hunner,
vooral Zwitsers, in vreemden krijgsdienst, want als huurlin-
gen werden zij, in 't bizonder door de Italiaansche condot-
tieri, zeer geacht, en als koopman ondernam nog menig Duit-
scher eene reis naar vreemde landen, maar de groote menigte