Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.431
Het bevorderen van een leerling tot knecht of gezel ge-
schiedde met groote plechtigheid. De leermeester stelde zijn
leerling aan de in de herberg van 't gilde vereenigde meesters
en gezellen voor, en daarop had na vele plechtigheden en
symbolische handelingen, die gewoonlijk een diepen zin had-
den, onder veel heen en weer gepraat de bevordering plaats.
Bij de schrijnwerkers bestond de symbolische handeling in
een figuurlijk schaven en een lichten kinnebaksslag, bij de
smeden in een figuurlijk aanblazen van het vuur enz.; maar
tevens moest de candidaat allerlei plagerijen en spotternijen
verduren. Bij sommige gilden, zooals bij de steenhouwers,
werd den tot gezel bevorderden leerling een teeken medege-
deeld , waardoor hij zich allerwegen als lid van het gilde be-
kend kon maken. Terwijl bij sommige handwerken en kunsten
het reizen der gezellen verboden was — b.v. bij de barn-
steenwerkers te Lübeck; waarschijnlijk om die kunst niet
algemeen bekend te maken — lagen bij andere gilden de ge-
zellen onder de verplichting, een bepaald aantal jaren bij
meesters in verschillende steden te arbeiden. Waren deze
reisjaren voorbij, dan kon de gezel, in verscheidene steden
reeds sedert de XlV^e eeuw, onder de meesters worden op-
genomen. Hieraan waren echter groote bezwaren verbonden.
Eerst moest men een meesterstuk vervaardigen, waarvoor
zekere eischen waren gesteld, vervolgens eene groote som
gelds betalen, die onder de leden van het gilde werd ver-
deeld, en dikwijls nog een kostbaren maaltijd aan de meesters
aanbieden. Had men deze zware uitgaven gedaan, dan kon
men echter nog geene zaak opzetten. De meester, die zich
in eene stad als smid, bakker, slager enz. wilde vestigen,
kon dit niet anders doen, dan door eene bestaande zaak over
te nemen.
Geheel verschillend van de gewone metselaarsgilden waren
de bouwhutten der vrijmetselaars. Deze vrijmetselaars, wier
naam eenvoudig aanduidt dat zij vrije mannen waren, ston-
den tot de gewone metselaars als kunstenaars tot handwerks-