Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.430
De oproeping ter vergadering geschiedde door van werkplaats
tot werkplaats een zinnebeeldig teeken te zenden, b. v. voor
de smeden een hamer of een spijker. De vergadering werd
bovendien gehouden in tegenwoordigheid van een paar meesters,
die den titel droegen van vaders der gezellen. Er bestaat
nog eene oude verordening, waarin is voorgeschreven, wan-
neer en hoe de brouwersknechten te Hamburg in hunne ver-
gadering moesten komen, hoe zij zich daar moesten gedragen,
in 't bizonder aan en na tafel, dat zij o. a. de messen, die
hun aan den maaltijd ten gebruike verstrekt waren, weder
terug moesten geven, dat zij zich van twist en oproer moesten
onthouden en 's avonds met slag van elven naar huis gaan.
Overtredingen werden gestraft met geldboeten ten behoeve van
de armenkas, met het geven van een half of een heel vaatje
bier, en vechtpartijen met gedurende zes uren in den ketting
gesloten te worden. De vereeniging was verplicht zieke en
reizende knechts te ondersteunen en overledenen door hare
leden te doen begraven.
Door de gilden was een zelfstandig nijverheidsrecht ont-
staan. Wie niet in een gilde was opgenomen, mocht zich
met geene nijverheid bezighouden. Op het voorbeeld der
ridderschap werden er bepalingen gemaakt, aan welke voldaan
moest worden, eer iemand in het gilde kon worden toegela-
ten. Hij moest niet alleen ter goeder naam en faam be-
kend, en onbevlekt van eer zijn, m^r zijn handwerk of zijne
kunst geregeld geleerd, dus een bepaald aantal leer- en reis-
jaren achter den rug hebben, en in staat zijn een meester-
stuk te vervaardigen. Om als leerling bij een meester te
kunnen worden opgenomen, moest men het bewijs leveren,
dat men uit een wettig huwelijk van vrije, eerlijke lieden
geboren was. Tot in het midden der XVI'^e eeuw werden
linnenwevers, herders, molenaars, tolgaarders, pijpers, trom-
petters , barbiers, veld- en nachtwachters, doodgravers, straat-
vegers enz. met hunne kinderen als oneerlijke lieden be-
schouwd.