Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.415
reed hij naar Wolf, stak hem de hand toe en noodigde hem
op een feestmaal, maar Wolf antwoordde hem: „Goeden
nacht! Tusschen ons blijft alles bij het oude," en reed daar-
op weg. Uit het eerste Wurtembergsche dorp, dat Wolf met
zijne manschappen doortrok, roofde hij eene kudde vee.
De overige stedenverbonden waren niet gelukkiger in hun
strijd tegen de vorsten. Hunne legers werden gewoonlijk ver-
zeld door gansche hoopen gespuis, dat medetrok om, waar
het maar kon, vooral op de slagvelden, te rooven. De palts-
graaf van den Rijn, die een aantal zulke lieden in handen
kreeg, liet hen in een steenoven verbranden.
Gelukkiger dan in Duitschland streden de Zwitsersche ste-
delingen en vrije boeren tegen de edelen. De macht van het
eedgenootschap was steeds toegenomen, daar Lucern er zich
bij had aangesloten, en de vier Woudsteden, waaruit het nu
bestond, gewoonlijk Bern, Zug, Zürich en Glarus tot bond-
genooten hadden. Volgens de gewoonte van dien tijd, richtten
de edelen op hunne goederen, die aan het grondbezit der
steden grensden, tollen op. Wegens de belemmering, die de
handel daardoor ondervond, verzett'en de steden er zich dik-
wijls met geweld tegen, zoodat telkens de strijd ontbrandde.
Toen die van Lucern op het gebied van Leopold III van Oos-
tenrijk niet alleen tolhuizen, maar zelfs de sterkte Rothen-
burg vernield, en den landvoogd verjaagd hadden, besloten
de edelen de handen ineen te slaan. Leopold bracht een
leger van 4000 ridders en een groot aantal voetknechten bijeen
en trok daarmede in 1386 van Baden aan de Aar over Aar-
gau op Lucern aan. Op eene boschrijke hoogte bij Sempach
stonden 1500 Zwitsers om den vijand tegen te houden.
Zij hadden niets ter verdediging dan een bij wijze van schild
aan den linkerarm gebonden plankje, en tot aanvalswapen
slechts een kort zwaard. Toen Leopold hen zag, gaf hij zijnen
ridders bevel af te stijgen, zoowel omdat het terrein voor
ruiterij niet gunstig was, als omdat hij die boeren niet waardig
keurde op ridderlijke wijze bevochten te worden. Daarop liet