Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.412
duizenden bij duizenden ter dood doemende, en nu lieten
velen het denkbeeld van een strafgericht Gods varen voor
de meening, dat de doodgravers, welke in dien tijd buiten-
gewoon groote verdiensten hadden, door vergift de pest hadden
doen ontstaan. Deze meening nam zoozeer toe, dat tegen
een aantal doodgravers eene aanklacht werd ingediend, tenge-
volge waarvan zij in hechtenis genomen, en op de pijnbank
gedwongen werden, eene misdaad te bekennen, die zij niet
hadden bedreven. De ongelukkigen werden daarop levend
verbrand, en dewijl van nu af menig lijk onbegraven bleef
liggen, nam de besmetting nog meer toe.
Anderen meenden, dat de gehate Joden, die, omdat zij
zoo streng afgezonderd van de Christenen moesten leven, meer
gespaard bleven dan dezen, de bronnen en waterptitten hadden
vergiftigd. Het gevolg hiervan was, dat in menige stad een
algemeene Jodenmoord plaats had. Eindelijk, nadat verschei-
dene oorden bijna geheel ontvolkt waren, hield de pest op
te woeden.
Nadat Karei IV den gebruikelijken tocht naar Eome had
gedaan om er zich tot keizer te laten kronen, riep hij in
1356 een rijksdag te Nürnberg bijeen. Het hier aangevangen
werk werd in hetzelfde jaar op den rijksdag te Metz voort-
gezet en voltooid, en daardoor kwam voor het Duitsche rijk
eene soort grondwet tot stand. De verkiezing eens keizers
had tot dien tijd toe slechts volgens het gewoonterecht plaats
gehad, terwijl het niet eens was uitgemaakt, welke rijksvorsten
het recht hadden bij die keuze eene stem uit te brengen. Nu
werd echter vastgesteld, dat dit recht uitsluitend zou toebe-
hooren aan drie geestelijke en vier wereldlijke keurvorsten:
de aartsbisschoppen van Mainz, Trier en Keulen, alsmede
den koning van Bohemen als opperschenker, den paltsgraaf
van den Eijn als oppervoorsnijder, den hertog van Saksen-
Wittenberg als opperstalmeester en den markgraaf van Bran-
denburg als opperkamerheer van het heilige Eoomsche rijk.
Tevens werd bepaald, dat de keurvorstendommen ondeelbaar