Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.411
rampen en teekenen , zooals de plaag der sprinkhanen, het
mislukken van den oogst, de aardbevingen en het verduiste-
ren der zon, waarmede het strafgericht, gelijk vroeger altijd
had plaats gehad, was aangekondigd. Daarom rieden zij het
volk aan, geen heil te zoeken in genees- of voorbehoedmid-
delen, maar zich aflaat te verwerven van de zonde. Gezon-
den en pestlijders stroomden naar de kerken om te bidden
en den eeredienst bij te wonen, maar menige gezonde werd
er aangetast, menige pestlijder blies er den laatsten adem uit.
Honderden mannen en vrouwen, meenende dat de gewone
genademiddelen der kerk in deze ellende te kort schoten,
besloten zich zwaardere boetedoeningen op te leggen. In
troepen vereenigd ontkleedden zij zich op de markten der
steden en geeselden zich onder het prevelen van gebeden den
blooten rug, dat er het bloed uitliep. Deze dwepers, Fla-
gellanten (geeselaars) genoemd, trokken het gansche land door
en gaven zich eerlang bij het voortzetten hunner openbare
boetedoening, aan de grofste uitspattingen over. Velen hun-
ner werden door de pest aangetast, en aldus bevorderden zij
de algemeene verspreiding der gevreesde ziekte.
Terwijl de angst aan de kerkelijke vroomheid van duizen-
den een nieuw leven schonk, zochten anderen zich boven de
vrees te verheffen en het gevaar, waarin zij verkeerden, te
vergeten, door zich onophoudelijk in zinnelijke genietingen te
baden. Mannen en vrouwen leidden, alle gevoel van zede-
lijkheid bij zich uitdoovende, op schaamtelooze wijze het
ergerlijkste leven.
Toen de ondervinding had geleerd, dat het opeenhoopen
van menschen in kerkgebouwen de besmetting sterk in de
hand werkte, verviel men in een ander uiterste. Wanneer
in een huis de pest was uitgebroken, werden er de deur en
de vensters zóó van dichtgemaakt, dat niemand er in of uit
kon, zoodat de lijders er zonder hulp bleven, en de gezon-
den er van den honger moesten omkomen.
Steeds bleef de ziekte met ontembare woede voortheerschen,