Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.410
van een keizer, kwamen nu te Rense op den koningsstoel,
een door negen steenen zuilen gedragen dak, bijeen, en be-
paalden daar, dat een door de meerderheid der keurvorsten
gekozen keizer wettig de kroon zou dragen, ook al werd de
gedane keuze door den paus niet bekrachtigd.
Lodewijk maakte zich bij de steden bemind door het schen-
ken van privilegiën. Hij stierf in 1347 onverwachts aan eene
beroerte, terwijl hij op de berenjacht was. Zijn opvolger was
Karei IV, de zoon van den bij Crécy gesneuvelden koning
van Bohemen. Daar hij zich door de steden en de rijks-
vorsten voorrechten liet afdwingen, ging onder hem het kei-
zerrijk in macht en aanzien zoo sterk achteruit, dat het
vuistrecht allerwegen het hoofd weder opstak. De ellende,
die hiervan het gevolg was, werd nog vergroot door gewel-
dige natuurrampen. In den herfst van 1338 vertoonden zich
ontelbare zwermen sprinkhanen, die op uitgestrektheden van
mijlen in omtrek nedervielen. In de daarop volgende jaren
kwam telkens misgewas voor, en had menige streek van
Zuid-Duitschland door aardbevingen te lijden, en in 1349 werd
uit Italië de als zwarte dood bekende pest in Duitschland
verspreid. De pest kwam in de Middeleeuwen dikwijls voor,
maar die, welke in genoemd jaar door geheel Europa begon
te woeden, is bizonder berucht wegens hare hevigheid. De
ziekte openbaarde zich door builen in de okselholten, later
vertoonden zich op de armen en beenen zwarte vlekken, en
den derden dag bezweek gewoonlijk de lijder. De geneeskunde
stond nog op zulk een lagen trap, dat zij niet alleen geene mid-
delen tot genezing of verzachting kon aanwijzen, maar bijna niets
wist van voorbehoedmaatregelen. De nauwe, kromme straten
der steden waren de echte broeinesten voor de ziekte, want het
was geheel onvoldoende, dat men er voor de luchtverversching
's nachts groote vuren brandde. Door het bijgeloof werd de
besmetting ten zeerste bevorderd. Vele priesters verkondigden,
dat de pest eene kastijding Gods was voor de zonden der
menschen, die zich niet hadden laten bekeeren door geringer