Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.34
klaagden er openlijk over bij de openbare godsdienstoefenin-
gen. Een hunner deed dit te Verona met zulk eene heftig-
heid, dat Theodörik de kerk, waarin de geestelijke zoo tegen
zijn besluit had uitgevaren, liet verwoesten.
Theodorik overleed in het jaar 526 en werd opgevolgd
door zijn kleinzoon Athalärik, die wegens zijne jeugd onder
de voogdij zijner moeder Amalasuïnta stond. De jeugdige
koning overleed reeds acht jaren later, en daarop nam Ama-
lasuïnta, die wel begreep, dat de Oost-Gothen hare voortdu-
rende heerschappij niet zouden erkennen, haar bloedverwant
Theodatus tot mederegent aan. Om de regeering alleen in
handen te hebben, liet deze Amalasuïnta vermoorden. De
Byzantijnsche keizer Justinianus, wiens legers in Afrika,
tijdens den strijd met de Vandalen door Amalasuïnta van
levensmiddelen voorzien waren geworden, besloot een moord
te wreken, die hem eene zoo gunstige aanleiding gaf, Italië
onder zijne heerschappij te brengen. Hij zond zijn veldheer
Belisarius met een klein leger tegen de Oost-Gothen. Eerst
veroverde deze veldheer Sicilië, vanwaar hij naar Italië overstak.
Daar hij eene strenge krijgstucht handhaafde, maakte hij zich
zonder slag of stoot van de meeste steden in Beneden-Italië
meester, want hare inwoners beschouwden hem als hun ver-
losser van het Oostgothische juk. Napels echter bood tegen-
weer. Belisarius moest het belegeren, en eerst na er een geruimen
tijd voor gelegen te hebben, maakte hij er zich op de vol-
gende wijze meester van. Hij ontdekte een drooggeloopen
kanaal van eene onderaardsche waterleiding, begaf er zich met
eene afdeeling soldaten in en kwam daardoor met hen in het
binnenste der stad, die nu, om andere steden af te schrikken,
op eene onmenschelijke wijze werd geplunderd.
Theodätus, die niets had gedaan om Napels te ontzetten,
werd door de misnoegde Oost-Gothen afgezet en vervangen
door den dapperen Vitïges, dien de krijgslieden volgens de
gewoonten der Germanen op een schild ronddroegen en door
die handeling als hun koning erkenden.