Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.401
hem ten verderve. Hij werd geslagen en vond den dood op
het slagveld. Twee dagen later werd zijn misvormd lijk uit
een poel gehaald. Men bracht het naar Nancy, en bestelde
het daar plechtig ter aarde.
Toen Lodewijk XI het stellige bericht van den dood zijns
machtigen leenmans ontving — eer het lijk was gevonden,
liep het verhaal, dat hij ontkomen was — gaf hij zich op
de meest ongepaste wijze aan luidruchtige blijdschap over.
Terstond liet hij den Bourgondischen stenden weten, dat hij
de rechten van Maria, de twintigjarige dochter van Karei,
als zijne eigene zou handhaven, maar tegelijkertijd liet hij
troepen in het hertogdom rukken, valschelijk bewerende, dat
het geen spilleleen, en dus aan de kroon vervallen was.
Tegen het einde zijner dagen had Lodewijk XI zijn levens-
doel bereikt. Hij had het leenstelsel in Frankrijk zoo goed
als vernietigd, adel, geestelijkheid en derden stand van zich
afhankelijk gemaakt, en den grond gelegd voor de alleenheer-
schappij der Fransche koningen. Maar daarom leefde hij toch
niet gelukkig. Met het klimmen zijner jaren vermeerderden
zijn wantrouwen en zijn bloeddorst. Er was nog slechts één
persoon, op wien hij zich durfde verlaten. Dit was zijn ge-
neesheer Jacques Cottier, een geleerde, die ook de sterren-
wichelarij beoefende, en tot eigen veiligheid zijn bijgeloovigen
vorst had wijsgemaakt, uit de sterren te hebben berekend,
dat hij zes weken vóór den koning zou sterven. Lodewijk XI
droeg, sedert hem dit bekend was gemaakt, de grootste zorg
voor Jacques Cottier en was steeds in angst, dat deze zijn
leven in gevaar zou stellen. Voor zijne overige dienaren was
hij een waar dwingeland. Bij de minste verdenking liet hij
hen in eene der pas uitgevonden gevangenissen werpen, die
uit aan balken opgehangen ijzeren kooien bestonden. Niet
zelden werd op last des konings zulk een gevangene des
nachts uit zijne kooi gehaald, in een zak gebonden en dan
in de rivier geworpen.
Hoezeer de burgers, maar vooral de boeren, door den leen-
II. 26