Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.32
Theodorik, de Koning der Oos t-G o t li e n.
De ondergang van liet Oost-
gotische r ij k.
Na den dood van iVttïla, den koning der Hunnen, hadden
de Oost-Gothen weder een onafhankelijk rijk in Pannonië (Hon-
garije) gesticht. De Byzantijnen leden zooveel van hunne
rooftochten, dat keizer Leo II geen ander middel wist om
er zijn rijk van te verlossen, dan een verdrag met hen te
sluiten, waarbij hij zich verbond den Oost-Gothen jaarlijks
300 pond goud te betalen, waartegen Theodömir, een der drie
broeders, die over de Oost-Gothen heerschten, zijn zevenja-
rigen zoon Theodorik als gijzelaar naar Constantinopel zond.
Theodorik geraakte daar bekend met de beschaving der Byzan-
tijnen, en toen hij den leeftijd van achttien jaar had bereikt,
verlangden de Oost-Gothen, dat hij terug zou keeren. De
toenmalige keizer, Zeno, een blijk van vertrouwen aan de
Oost-Gothen willende geven, stond het verzoek toe. Theodö-
mir was ondertusschen door den dood zijner broeders alleen-
heerscher geworden, en toen hij stierf, volgde Theodorik hem
op. Zeno, die den ondernemenden, talentvollen vorst vreesde,
moedigde hem aan, een veroveringstocht te ondernemen naar
het schoone Italië, waar Odoaker nog steeds den schepter
voerde.
Zeno, die, evenals zijne voorgangers, aanspraak bleef maken
op Italië, schonk dit land aan Theodorik en beval hem het
Itomeinsche volk en den senaat aan, toen in het jaar 488 het
gansche volk der Oost-Gothen met vrouwen, kinderen, have
en vee uit Pannonië opbrak. Het voeden van eene zoo groote
menschenmassa, wier aantal op 200,000 personen wordt ge-
schat, was aan zeer groote bezwaren onderhevig. Wel werd
eene groote hoeveelheid graan medegevoerd, dat door vrouwen
in draagbare handmolens werd gemalen, wel konden de melk
en het vleesch der kudden alsmede al hetgeen de jacht ople-