Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.361
steenen of ijzeren kogels werden geschoten. De oudste spo-
ren van vuurmonden of kanonnen vindt men bij de Chi-
neezen, daarna bij de Indiërs en eindelijk bij de Arabieren,
door wie de Spanjaarden ermede bekend raakten. Waarschijn-
lijk werden zij reeds in 't einde der dertiende eeuw, maar
zeker in het begin der veertiende eeuw bij het belegeren van
steden en kasteelen gebruikt. Aanvankelijk waren de kanon-
nen zeer onhandelbaar, daar zij niet eens op affuiten stonden,
en kwam het niet zelden voor, dat zij onder het afvuren
sprongen. Voor zoover bekend is, werden zij bij Crécy het
eerst in een veldslag gebruikt.
De uitslag van den geduchten strijd bij Crécy was geheel
anders dan Filips VI had verwacht. Hij werd volkomen ver-
slagen. Behalve duizenden voetknechten sneuvelden ruim dui-
zend ridders en een twaalftal vorsten. Onder deze laatsten
behoorde Jan , de blinde koning van Bohemen. Naar men
zegt, vonden de Engelschen zijn lijk met een helm op, die
versierd was door eene pluim van struisvogelvederen, onder
welke het motto Ich dien stond, en zou Eduard's zoon, die
naar zijne wapenrusting de Zwarte Prins wordt genoemd, en
aan wiens heldenmoed en beleid de overwinning vooral te dan-
ken was, struisvogelvederen en het motto Ich rfien tot wapen
hebben aangenomen. Zeker is het, dat de prinsen van Wales
sedert dit wapen hebben gevoerd.
Een paar dagen na den slag trok Eduard III moordende
en plunderende naar Calais om zich van die stad meester te
maken. De bevelhebber der stad , de Bourgondische ridder
Jean De Vienne, gesteund door de heldhaftige burgerij, verde-
digde haar met zooveel beleid en onverschrokkenheid, dat
Eduard III er zich toe moest bepalen, de stad in te sluiten
en door honger tot de overgave te dwingen. Daartoe werden
in zijne legerplaats gansche straten van houten met stroo
gedekte woningen voor de krijgslieden opgericht; zelfs was
er een marktplein, waar de mondbehoeften, kledingstuk-
ken en levensgemakken, die Engelsche en Vlaamsche sche-