Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.356
werden van het betalen van rente, indien zij het bedrag van
het geleende in de schatkist des konings stortten, waarvoor
zij dan eene volledige kwitantie zouden erlangen.
Maar nog was 's konings gouddorst niet gestild. Evenals
in andere landeu bezaten de Tempeliers in Frankrijk uitge-
strekte bezittingen. Hun grootmeester, die zijn zetel in
Hongarije had, was alleen beperkt door de wetten der orde
en erkende paus noch vorst boven zich. De orde had zich
door deze onafhankelijkheid gevreesd gemaakt, en zij maakte
zich bovendien gehaat, omdat de ridders, daartoe in staat
gesteld door de rijkdommen, over welke de orde te beschik-
ken had, een losbandig leven leidden en door hunne hooghar-
tigheid aanstoot gaven, terwijl de geestelijken, die tot de orde
behoorden, zich - aan niemand stoorden dan aan den groot-
meester.
Langzamerhand ontstonden er allerlei praatjes omtrent het
leven der Tempeliers. Zoo vertelde men elkander, dat zij
zich op hunne bijeenkomsten met tooverij bezighielden, en
dus met den duivel in verband stonden, dat zij Christus
verloochenden en een afgodsbeeld, Baffomet, aanbaden, ter
eere van hetwelk zij kinderen offerden.
Nu wist Filips IV den paus over te halen, den grootmeester
der Tempeliers en die der Johannieters uit te noodigen naar
Frankrijk over te komen, ten einde plannen met hen te
beramen voor een nieuwen kruistocht. Alleen de grootmeester
der Tempeliers, Jacques De Molay, gaf aan de uitnoodiging
gehoor en kwam met een zestigtal ridders naar Frankrijk.
Te Parijs werd hij door Filips IV den Schoonen met de
meeste welwillendheid ontvangen, terwijl deze reeds bezig was
Clemens V over te halen de orde der Tempeliers op te heffen.
Op eene bijeenkomst, die paus en koning in 1307 te Poitiers
hadden, wist Filips IV van Clemens V de toestemming tot
de opheffing te verkrijgen, wanneer, na behoorlijk onderzoek,
bleek, dat de Tempeliers zich schuldig maakten aan ketterij,
Op dezelfde wijze als met de Joden liet Filips op een