Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.350
in te voorzien. In kerk, refectorium, dormitorium en keuken
was het verboden te praten; daarom bedachten de monniken
eene gebarentaal, die zich vooral op het gebied van eten en
drinken sterk ontwikkelde.
In ieder klooster was een scriptorium, eene kamer door
houten beschotjes in eene menigte kleine afdeelingen verdeeld,
in iedere van welke een schrijver kon zitten. De scriptores
hielden zich bezig met het afschrijven van Latijnsche werken
om de bibliotheek des kloosters uit te breiden, en werden
van sommige gebeden vrijgesteld. Sedert de XFe eeuw hield
de lust om af te schrijven meer en meer op. Door dit afschrij-
ven hebben de monniken vele belangrijke werken der oudheid
bewaard, overigens is hun invloed op den stoffelijken vooruit-
gang veel grooter geweest dan die op den wetenschappelijken.
Als een staaltje van onwetenschappelijkheid in de XlIIde
eeuw kan het volgende dienen uit Jacob Van Maerlant's
Der Naturen Bloemen, vrij bewerkt naar De Naturis Re-
rum van Thomas van Cantimpré, die o. a. een boek uit de
tweede eeuw, Physiolögus genaamd, tot bron had gebruikt.
In tegenstelling van fabels en # onnutte leugens" geeft Maer-
lant het volgende als wetenschappelijke waarheid. „In het
Oosten woont een volk, dat zeer hard loopt op één breeden
voet. Wanneer iemand van dat volk wil uitrusten, gaat hij
liggen en beschermt hij zich met zijn breeden voet tegen de
zonnestralen. — Elders wonen lieden, die geen hoofd heb-
ben. Hunne oogen staan in de schouders, en in de borst
hebben z^ twee openingen, die tot neus en mond dienen.
„De Alay is een dier, dat veel op den kameel gelijkt, maar
geene knieën heeft. Als de Alay rusten of slapen wil, gaat
hij tegen een boom staan leunen. Zoodra een jager dit ziet,
nadert deze den boom om dien te vellen. Het dier slaat
daar geen acht op en valt eindelijk met den boom omver.
Dewijl het geene knieën heeft is het niet bij machte op te
staan, en kan de jager er zich van meester maken. Het-
zelfde wordt ook van den olifant verteld.