Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.349
De redenen, waarom zooveel honderd duizenden menschen
in de Middeleeuwen het kloosterleven kozen, zijn zeer verschil-
lend. Sommigen begaven zich in een klooster uit vroomheid
en leidden daar een kalm, godsdienstig leven; anderen deden
het uit armoede, om rustig hun handwerk te kunnen uitoe-
fenen, of om zich ongestoord aan studie te wijden. Velen wer-
den ook door schuldgevoel in een klooster gedreven, b.v. een
krijgsman, die zich schaamde zijn plicht te hebben verwaar-
loosd; want men meende, dat iemand, die monnik of non
werd, al was hij nog zoo slecht, zeker iu den hemel kwam,
eü dat de duivel dan geen vat meer op hem had. Menige
vroolijke snaak, die, ten gevolge van een losbandig leven,
uit armoede monnik was geworden, verliet het klooster, wan-
neer hij kans zag, zijn vroeger leven weder voort te zetten.
Tot in de twaalfde eeuw bleef het onderscheid in stand
onder de monniken streng gehandhaafd, en werden de aan-
zienlijkste betrekkingen in een klooster slechts aan hoogge-
borenen opgedragen. Sedert werd het kloosterleven meer demo-
cratisch.
Aanvankelijk was het kloosterleven zeer eenvoudig. De
kloosterlingen dronken water, somtijds melk, en aten haver-
en gerstebrood, zelden vleesch en groenten. Enkele monniken
en nonnen trokken nooit schoone kleederen aan en weigerden
vleesch te eten. Nachtwaken en handenarbeid, zeide men,
moesten de spijzen kruiden. Maar hierin kwam langzamerhand
verandering, zoodat niet alleen de wijnkelder ruim voorzien
werd van de heerlijkste wijnen, maar zelfs op vastendagen
fazanten, hoenders enz. werden gegeten, omdat men deze even-
min als visch onder het gewone vleesch rekende. De verjaar-
dagen van de stichting des kloosters werden meer en meer
met uigelezen gastmalen gevierd. Van daar het spreekwoord:
,/Hoe grooter de feestdag, hoe korter het gebfd."
Somtijds bezaten monniken persoonlijk eigendom. Wan-
neer een camerarius niet behoorlijk voor de kleeding zorgde,
waren de monniken wel genoodzaakt er door eigen middelen