Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.348
echter op reis, wanneer hij vernam, dat aanzienlijke personen
op de komst waren, en daar gedurende zijne afwezigheid het
verplegen van vreemdelingen door het klooster bekostigd moest
worden, ontstond daarover gewoonlijk een hevige twist tus-
schen den abt en de monniken. De regeling der geldzaken
was in eene abdij gewoonlijk zeer ingewikkeld, en dewijl bui-
tengewone omstandigheden somtijds groote onvoorziene uit-
gaven vereischten, zagen de kloosters zich dikwijls genood-
zaakt geld op te nemen. Daar de Joden gedurende de Mid-
deleeuwen de voornaamste geldschieters waren, hadden zij
geene betere vrienden dan de kloosterlingen. Naast kloosters
vond men niet zelden aanzienlijke nederzettingen van Joden.
Door den woeker, dien zij namen, werden zij dikwijls de
eigenaars van een klooster. Zij bezochten het vrijelijk en wa-
ren vrienden der kloosterlingen.
'Daar de abt eigenlijk meer een baron van het rijk dan een
kloosterling was, stonden de monniken onder een prior, die
ook weder eene eigene huishouding, paarden, dienaren, kok
enz. had. De gewichtigste betrekkingen in 't klooster waren
die van cellerarius (keldermeester) en van camerarius (kamer-
heer). De cellerarius had het opzicht over de geheele huishou-
ding en deed de inkoopen en verkoopen in 't groot; somtijds had
hij wel veertig dienaren onder zich. De camerarius had het op-
zicht over de kleeding. Van belang was ook de cantor, die aan
't hoofd der school stond. Den cantor van de abdij te Can-
terbury waren twee molens toegewezen, waarvan de opbrengst
strekte om perkament en inkt voor de school te koopen.
De broeder circator moest toezien, dat de monniken niet in
slaap vielen tijdens het gebed. Betrapte hij een slapenden
monnik, dan plaatste hij een lantaarn voor diens voeten, en
dan moest deze, na gewekt te zijn, ermede rondloopen, tot
hij een anderen slapenden broeder had gevonden.
De vrouwenkloosters waren naar het voorbeeld van die der man-
nen ingericht, maar dewijl vrouwen geene priesterwijding konden
ontvangen, werd er het priesterambt door mannen waargenomen.