Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.347
richt. Het middelste gedeelte vormde de rechthoekige kloos-
terhof, in welken de bron of waterput lag, en die beplant
was. Langs de vier zijden van den hof liepen overdekte
gaanderijen , de kruisgang genaamd, en achter deze vond men
de vier hoofdgebouwen van het klooster: 1. de kerk, wier
toren tevens tot wachttoren diende, 2. de voorraadskamers,
3. de algemeene eetzaal, refectorium, en 4. de algemeene
slaapzaal, dormitorium; eerst in veel lateren tijd ontstond het
gebruik, dat ieder monnik in zijne eigene cel sliep.
Buiten ééne der zijden van dezen rechthoek van gebouwen
stonden de woningen voor den abt en. ^ijne dienaren , de
vorstenschool, waar kinderen van aanzienlijke personen onder-
richt ontvingen, en het woonhuis voor de leerlingen. In een
tweede kwartier vond men gasthuizen en stallen, waar aan
vreemdelingen nachtverblijf werd aangewezen. Het derde kwar-
tier bevatte de woning voor de novicen, personen, die zich
voorbereidden om de kloostergeloften af te leggen, met eigen
schoolvertrek, refectorium en dormitorium. Bovendien vond
men in dat kwartier het ziekenhuis, de woning voor den ge-
neesheer , een tuin voor geneeskundige kruiden, het aderlaat-
huis, waar de monniken viermaal in het jaar eene aderlating
ondergingen, het badhuis, het met boomen en planten be-
groeide kerkhof, woningen voor de handwerkslieden, duiventil
en hoenderhuis. In het laatste kwartier trof men schuren
aan voor het bergen der tienden, stallen voor runderen en
paarden, moestuinen enz. Het geheel was door een stevigen
ringmuur omgeven.
In een groot klooster woonden somtijds een duizendtal
personen, van welke slechts een zevende of achtste gedeelte
monniken waren. De regel, dat de kloosterlingen alles in
gemeenschappelijk eigendom bezaten, werd dikwijls geschon-
den, en dan had er eene verdeeling van 't bezit plaats tus-
schen den abt, die het leeuwenaandeel verkreeg, en het
klooster. Op den abt rustte dan de verplichting het ontha-
len van bezoekers te bekostigen. Niet zelden ging de abt