Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.344
stevige torens beschermde poort, vóór welke eene ophaalbrug,
en achter welke een stevig valhek was aangebracht. Binnen
den ringmuur trof men verschillende vertrekken aan, en onder
deze muntte de zaal of hal uit, die 's zomers het woonver-
trek was, en bij plechtige gelegenheden dienst deed. Op
feestdagen werd de vloer der zaal met tapijten belegd, anders
met bloemen, of als die er niet waren, met biezen, terwijl
langs de wanden keurig gestikte tapijten opgehangen, en rust-
banken met matrassen of veeren kussens geplaatst werden.
De woonvertrekken, kemenaden {cJieminées) genoemd, waren
gewoonlijk klein, omdat zij alleen in den winter werden ge-
bruikt. Het huisraad was van hard hout, in 't algemeen meer
duurzaam dan sierlijk bewerkt, ofschoon aan tafels, stoelen,
banken en kasten veel snijwerk voorkwam.
Naarmate de weelde onder de edelen toenam, legden zij
hunnen boeren zwaardere lasten op, terwijl hertogen, graven
en andere rijksgrooten zoozeer in macht wonnen, dat zij de
vrije boerenrepubliek'en, die zich in hun gebied bevonden, van
hare vrijheid konden berooven en de bewoners tot hunne hoo-
rigen en lijfeigenen maken. Sommige boerenrepublieken wisten
hare vrijheid te handhaven, zooals de Ditmarsen, die in de
moerassige streken tusschen Elbe en Eider woonden. In 1144
vernielden zij het kasteel Böckelnburg, wiens bezitter zij dood-
den : zijne vrouw had gezegd, dat den boeren en al den hunnen
jukken op de schouders moesten worden gelegd. Daarop werden
zij ^oor den aartsbisschop van Bremen en andere wereldlijke
heeren aangevallen en als overwonnenen behandeld, maar in 1164
stonden zij weder op, en in 1227 verwierven zij zich met het
zwaard de volledige vrijheid weder. Evenzoo wisten de meeste
Friesche stammen hunne onafhankelijkheid te bewaren, maar
sommige, zooals die van Noord-Holland en die van de bewo-
ners op den linkeroever der Elbe, de Stadingers, verloren hunne
vrijheid. Reeds hadden de Stadingers geruimen tijd zegevierend
tegen eäelen, die hen wilden onderdrukken, gestreden, toen
Gerhard, de aartsbisschop van Bremen, hen van ketterij be-