Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.343
blauw, onwankelbare trouw; geel, gelukkige liefde; zwart,
droefheid. Een hoffelijk ridder was daardoor in staat de ver-
schillende toestanden van zijn gemoedsleven in zijne kleeding
. uit te drukken. De veelkleurigheid der kleederen werd nog
vergroot door er de geslachtswapens op te stikken.
Door schoonheidsmiddelen en toiletkunsten droeg men bui-
tengewone zorg voor huid en haar. De ridders volgden ge-
trouw de veranderlijke mode in het dragen van hoofdhaar en
baard. De edelvrouwen gebruikten blanketsel en droegen het
haar in krullen of in nederhangende of opgebonden vlechten,
die rijkelijk met gouddraad doorvlochten waren. Aan den
gordel der edelvrouw hing eene tasch, waarin zich geld, reuk-
fleschjes en allerlei kleinigheden, een dolkmesje, een schaartje,
een spoeltje en sleutels bevonden. Rijk versierde en geparfu-
meerde handschoenen ontbraken aan geen damestoilet. Tot
de uitspattingen der mode van den riddertijd kan men de
puntschoenen brengen, aan wier buitensporig lange, somtijds
omgebogen punten later, evenals aan andere deelen der kleeding,
schelletjes werden gehangen. De kleeding der vrouwen be-
stond uit een hemd, dat tevens tot pronk diende, daarover
een nauwsluitenden lijfrok en eidelijk een wijd overkleed. In
de dertiende eeuw volgden de aanzienlijke mannen de vrou-
wen in kleeding en voorkomen na. Blanke, dunne handen
met lange vingers en een glad geschoren gezicht, en niet
meer het barsche, krachtvolle uiterlijk van den krijgsheld,
waren toen sieraden van een man, wiens ideaal van schoon-
heid de baardelooze jongeling was. Ridders droegen somtijds
een hemd hunner geliefde over hunne wapenrusting, en ge-
liefden verwisselden soms van hemd, gelijk later van ring.
Van de kasteelen, die de edelen bewoonden, was de wacht-
toren, die hoog boven den door droge of natte grachten
omgeven ringmuur uitstak, het voornaamste deel. Die toren
was de woonplaats van den wachter, die steeds op den uitkijk
moest staan, en diende bij een beleg tot laatste wijkplaats
van de belegerden. In den ringmuur bevond zich eene door