Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.341
beroofd, en weder met het kapje gedekt op de hand geplaatst.
Als de jacht was afgeloopen, keerde men onder het blijde
geschal der horens naar het kasteel terug, waar in de groote
zaal, of indien deze de genoodigden niet kon bevatten, in
eene tent in de open lucht een feestmaal was aangericht.
Ridders en edelvrouwen namen in bonte rij plaats aan den
disch en wisselden het gebruik der spijzen met gezelligen
kout over liefde en ridderavonturen af. Men was gewoon
twee hoofdmaaltijden dagelijks te gebruiken. Gewoonlijk at
men zeer eenvoudig: gepekeld en gerookt vleesch, peulvruch-
ten en kool. Maar bij feestelijke gelegenheden prijkte de
tafel met allerlei gekruide spijzen, verschillende soorten soep,
gebraden pauwen, die met den staart kunstig waren opge-
maakt, zwanen, sierlijk gevormd gebak en edele wijnen. Op het
midden der tafel stond het zoutvat, en daarom heen lagen brood-
jes van allerlei gedaante. Ue tafel was gedekt met een helder
lijnwaad, dat aan de zijden ver afhing, en zoowel voor, onder
als na het eten werden den gasten water en handdoeken aan-
geboden om de handen te wasschen, dewijl men vleesch,
visch en alle andere vaste spijzen bij gebrek aan vorken,
welke eerst sedert de zestiende eeuw meer algemeen in gebruik
kwamen, met de handen moest eten. Bij feestelijke gelegen-
heden werd de tafel met bloemen bestrooid, en hing men er
bloemslingers over, terwijl de gasten niet zelden bloemkran-
sen kregen om er zich het hoofd mede te tooien.
Om zijne gasten te. vermaken zorgde de gastheer voor
zangers, muzikanten en goochelaars; maar vooral toonde men
zich ingenomen met een nar. Alle vorsten en aanzienlijke
edelen verbonden een nar aan hunne hofhouding. De nar
was een persoon, die door geestige zetten, kwinkslagen en
plagerijen zijn heer en de gasten moest vermaken. Hij had
eene eigenaardige kleeding. Op het kaalgeschoren hoofd droeg
hij de zotskap, eene met een hanekam gekroonde muts met
twee ezelsooren, aan welker uiteinde schelletjes bevestigd
waren. De knoopen zijner overige kleeding waren schelletjes.