Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.340
buitensporigheden werkten krachtig mede, het ridderwezen in
verval te brengen.
Na den krijg en het tournooi hielden de ridders zich het
liefst bezig met de jacht, waartoe in die dagen in Europa
meer gelegenheid was dan thans, dewijl er toen veel meer
bosch en wild was. Verscheurende dieren, zooals beren en
wilde zwijnen, werden alleen door de ridders gejaagd, maar
anders namen ook de edelvrouwen aan de jacht deel. Werd
er een hertenjacht gehouden, dan kwamen de genoodigde
ridders en edelvrouwen te paard met hunne edelknapen, be-
dienden en honden op eene aangewezen plaats bijeen. Op een
gegeven teeken werd het hert opgejaagd, en dan zette de
gansche stoet het vluchtende dier achterna. Was het einde-
lijk geheel omsingeld, dan genoot de aanzienlijkste van het
gezelschap de eer het af te maken. Wien het zeldzame
voorrecht te beurt viel een wit hert te dooden, mocht de
schoonste dame van het gezelschap een kus geven, en daar
ieder ridder steeds beweerde, dat zijne dame de schoonste
was, ontstond daaruit niet zelden een bloedige twist.
De meest geliefde jacht der edelvrouwen, en daarom ook
van vele ridders, was die met valken. De valkeniers wisten
valken en sperwers af te richten om eene bepaalde diersoort:
eenden, kraanvogels, hazen of dergelijke, te vangen. Hield men
eene valkenjacht, dan droegen pages de valken, wier koppen
met lederen kapjes bedekt, en wier pooten aan elkander ge-
bonden waren, op een raam naar de verzamelplaats. Ieder
ridder eu iedere edelvrouw nam daar een valk, op de hand,
die door een hertelederen handschoen tegen de klauwen van
het dier beveiligd was. Zoodra men een stuk wild in 't
oog kreeg, waarvan men zich wilde meester maken, nam
een van 't gezelschap, en daarbij lieten de heeren steeds den
voorrang aan de dames, het kapje van den kop des valks,
dien hij op de hand had, en liet het dier dan wegvliegen in
de richting van 't wild. Zoodra de valk zich van zijne prooi
had meester gemaakt, werd hij teruggelokt, van het wild