Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.339
ieder harer had zelfs kaproen, mantel en handschoenen aan
haar ridder afgestaan. Aanvankelijk schaamden zij zich, zoo
onttakeld te zitten, maar toen zij elkander goed bekeken en
bemerkten, dat bijna allen er zoo uitzagen, barstten zij in luid
gelach uit. Hoe overdreven de vrouwendienst somtijds was,
blijkt uit de geschiedenis van Geoffroy Rudel, heer van
Blaye. Hij had eene geestelijke liefde opgevat voor de gravin
van Tripoli (in Syrië), die hij nooit had gezien, maar wier
schoonheid en bevalligheid hij had hooren roemen door pel-
grims, die uit het Heilige Land terug waren gekeerd. Nadat
hij haar in zijne liederen had bezongen, werd zijne begeerte
om haar te zien zoo sterk, dat hij het kruis aannam en zich te
scheep naar Tripoli begaf. Onderweg overviel hem eene gevaar-
lijke ziekte, en bewusteloos werd hij te Tripoli in eene woning
gebracht. Zoodra de gravin had vernomen, dat haar ridder
was aangekomen, begaf zij zich tot hem. Terwijl zij bij hem
was, kwam Geoffroy Eudel weer tot zich zei ven, en hij dankte
God voor de genade, zijn leven zoo lang te hebben gerekt,
totdat hij zijne dame had gezien. Toen hij kort daarna over-
leed, liet de gravin hem plechtig begraven, en vervolgens
nam zij den sluier aan.
Het gevoel van eer verbood een ridder eenig gevaar te
ontvluchten. Door overdrijving achtte menig ridder zich ver-
plicht het op te zoeken , en zoo ontstonden de dolende rid-
ders , die op avontuur door het land zwierven om, waar zij
konden, roem te behalen. Terwijl menig dolend ridder door
tournooiprijzen zijne kas zocht te stijven, waren er in latere
tijden andere, die, niet tevreden met overeenkomstig de wet-
ten der ridderschap allerwegen aan zwakken en verdrukten
bescherming te verleenen, op eene bluffende wijze roem zoch-
ten te verwerven. Een Spaansch ridder, Suerro De Quinones,
plaatste zich in 1434 op den weg, dien de bedevaartgangers
naar San Jago de Compostella moesten volgen, om met ieder,
dien hij daar aantrof, eene lans te breken: hij legde zelfs de
gelofte af er driehonderd in dertig dagen te breken. Zulke