Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.27
die Jeruzalem bezocht, drie dagen gastvrijheid verleenen.
Verder moesten zij zich door hunne kleeding van de Mohamme-
danen onderscheiden en de kruizen van hunne kerken afnemen.
Op de plaats, waar eens de tempel van Salomo had gestaan,
stichtte Omar eene moskee, die door zijne opvolgers werd
voltooid en tot op dezen dag door de Mohammedanen in
hooge eer is gehouden.
Nadat Omar geheel Syrië onder zijne heerschappij had
gebracht, zond hij zijn veldheer Amroe naar Egypte, dat
weldra voor de wapenen der Arabieren moest bukken. In
de nabijheid van het oude Memphis sloeg Amroe zijne leger-
plaats op, waaruit langzamerhand de stad Kaïro ontstond.
Amroe werd tot stadhouder van Egypte aangesteld en bracht
ook Tripoli onder de heerschappij van Omar. Vervolgens werd
ook Perzië onderworpen, zoodat de Arabische heerschappij
zich van de kleine Syrte tot den Indus uitstrekte. Het invoe-
ren van den Islam in alle veroverde streken werd zeer in de
hand gewerkt door de bepalingen, die Omar maakte omtrent
het verdeden van den aanzienlijken oorlogsbuit. Terwijl dit
onder Mohammed en later zonder regel had plaats gehad,
stelde Omar vast, dat aan iederen geloovige eene bepaalde
som moest wordea uitgekeerd, van het pas gespeende kind
af, dat ongeveer 50 Gld. ontving, tot de weduwen van den
profeet, aan welke een jaargeld van 6000 Gld. werd uitge-
keerd. Om die uitkeeringen te kunnen volhouden werden aan
de ongelopvigen belastingen opgelegd, terwijl de geloovigen
het gemakkelijk verkregen geld in ledigheid begonnen door
te brengen.
De Perzen droegen het Arabische juk met zulk een afkeer,
dat zij herhaalde malen opstonden. Telkens bracht Omar hen
weder ten onder. De haat, dien de Perzen hunnen onderdrukkers
toedroegen, bewoog een Pers van geringe afkomst eene geduchte
wraak te nemen. Hij begaf zich naar Medina en bracht daar
in de moskee den chalief eene doodelijke wonde met een dolk
toe. Op zijn sterfbed verklaarde Omar, dat hij zelf geen