Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.335
kastengeest, door welken de afstand tusschen adel en bur-
gerstand werd vergroot.
Gedurende den bloeitijd van het ridderwezen was het rid-
derschap zoo eervol, dat zelfs vorsten er naar dongen. Een
ridder stond hooger in aanzien dan ieder ander edelman of
vorst, die geen ridder was; ook had hij het recht anderen
tot ridders te slaan. Dit geschiedde soms na het eindigen
van een strijd, aan iemand die zich bizonder had onderschei-
den, somtijds ook vóór den aanvang van een gevecht en
eindelijk ook bij plechtige gelegenheden aan jonge mannen,
die tot ridders waren opgevoed. Kinderen, die door hun vader
bestemd werden om ridders te worden, bleven tot hun zeven-
de jaar aan de zorgen hunner moeders toevertrouwd, maar
reeds op dien jeugdigen leeftijd werden zij door kinderspe-
len op hunne aanstaande bestemming gewezen: zij speelden
met van hout gesneden ridders te paard of zaten op de
schouders van dienaren om ridderoefeningen na te bootsen.
Op den leeftijd van zeven tot vijftien jaar veflieten zij ge-
woonlijk het ouderlijk verblijf, om de vrouw of de dochter
van een ridder als edelknaap of page te dienen en zich onder
diens leiding in 't paardrijden en den wapenhandel te oefenen.
De edelknapen moesten zich erop toeleggen, hunne gedachten
in dichtmaat uit te drukken, de harp te bespelen en te leeren
zingen, maar lezen en schrijven leerden zij slechts bij uitzonde-
ring : menig ridder, die liederen dichtte, was niet in staat ze op
te schrijven. Dit liet hij zijn kapelaan doen. De adellijke
jonkvrouwen daarentegen verstonden de kunst van lezen en
schrijven gewoonlijk wel. Na zijn vijftiende jaar werd de
edelknaap tot schildknaap van een ridder bevorderd. Bij die
gelegenheid trad hij, meestal vergezeld door zijne ouders, voor
het altaar en gordde de priester hem een zwaard aan, na er
den zegen over te hebben uitgesproken. Door deze plechtig-
heid was de jongeling, die vroeger geen zwaard had mogen
dragen, weerbaar gemaakt.
De schildknaap moest de wapenrusting van zijn heer in