Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.334
aan de hoogescholen, en zoo ook de strijdlustige edelen in
het ridderwezen, dat zich langzamerhand uit de Germaansche
oudheid ontwikkelde. Tacitus verhaalt ons van Germanen,
die, vereenigd onder een aanvoerder, in heldenmoed wed-
ijverden, en als hun land geene gelegenheid meer aanbood,
hun moed te toonen, verre tochten ondernamen. Zij droegen
dan een bizonder teeken, b. v. een ijzeren ring, en zwoe-
ren dit niet af te leggen, eer zij een bepaald aantal vijan-
den hadden gedood. Het Christendom gaf aan dezen strijd-
lust eene edeler richting, en zoo werd het ideaal van 't rid-
derwezen het beschermen van de kerk, van weduwen, van
weezen, kortom van allen, die niet in staat waren zich zei-
ven te verdedigen. Loyauteit, een diepe afkeer van leugen
en trouweloosheid, was de eerste ridderdeugd. In 't algemeen
oefende het ridderwezen daardoor een beschavenden invloed
uit, vooral in Frankrijk, waar het den hoogsten trap van
ontwikkeling bereikte. Het ging de heerschende ruwheid te
keer en ontwikl^elde de kiemen van menschelijkheid, want
de ridder mocht b. v. een ongewapende niet aanvallen, een
geschil op eigen gezag niet met de wapenen beslechten, en
zijn dienst niet weigeren aan eene vrouw, die zijne hulp in-
riep om haar in eene zaak van eer bij te staan: hoffelijkheid
jegens de vrouwen {courtoisie) was de eerste plicht eens ridders.
De natiën, bij welke de wetten der ridderschap niet in
gebruik waren, werden voor barbaarsch gehouden. ïoen eens
Schwabische ridders tegen Magyaren optrokken, die met pijl
en boog gewapend waren, lieten zij hun uit naam der vrou-
wen vragen met meer ridderlijke wapenen, lans en zwaard,
te strijden. De Magyaren beantwoordden dit verzoek door
de boodschappers met hunne pijlen te doorschieten en wer-
den sedert als onbeschaafden veracht. Toen echter de maat-
schappij , door het toenemen van stoffelijke welvaart en van
kennis, minder behoefte had aan den heldenmoed, die zijne
hoogste wijding vond in het beschermen van ongelukkigen
en zwakken, ontaarde het ridderwezen in een hoogmoedigen