Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.330
Datniate het leven liet, en tevens om de aandacht op zijn
fabrikaat te vestigen. Die klokjes werden later door andere
vervangen, die nog steeds, bekend onder den naam van
Damiaatjes, 's avonds van negen uur tot halftien, alsmede
na het blusschen van brand en bij enkele andere gelegenhe-
den, worden geluid.
De ongelukkige afloop van den Egyptischen kruistocht
werd in Europa algemeen toegeschreven aan keizer Erederik
II van Duitschland, die bij zijne kroning te Aken in 1215
de kruisgelofte had afgelegd, maar vooreerst zijn woord niet
gestand deed. Toen hij echter door sultan Kamil, die met
zijn broeder Moattem van Damaskus, tot wiens gebied Syrië
behoorde, in eene doocfelijke vijandschap was geraakt, werd
uitgenoodigd naar het Heilige Land te komen, besloot hij
eindelijk, ofschoon de banvloek van den paus nog steeds op
hem rustte, een kruistocht te ondernemen. In 1228 landde
hij te Akko. Sultan Kamil begroette hem met eerbewijzin-
gen en vriendschapsbetuigingen, en de patriarch van Jeruza-
lem, de Tempeliers en de Johannieters ontvingen hem als
hun heer en beschermer. Spoedig echter veranderde deze
verhouding. Wegens den dood van Moattem had Kamil den
keizer niet langer noodig, en paus Gregorius IX zond door
twee monniken brieven aan den patriarch van Jeruzalem en
aan de grootmeesters der geestelijke ridderorden, om hun te
herinneren, dat Frederik II geene enkele poging had gedaan
om van den banvloek ontheven te worden, dat hij dus tegen
dén wil der kerk ter kruisvaart was gegaan, en dat de geloo-
vigen daarom noch zijne bevelen gehoorzamen, noch hem
eenige hulp verleenen mochten. Van nu af zag Frederik II
zich niet alleen door de hooge geestelijkheid en de groot-
meesters der Johannieters en der Tempeliers verlaten, maar
zochten dezen hem door verraad in 't verderf te storten. Toen
de Tempeliers vernomen hadden, dat hij als een eenvoudig
bedevaartganger den Jordaan wilde bezoeken, gaven zij er
schriftelijk kennis van aan Kamil, in de hoop, dat deze den