Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.328
vaarders deden Portugal aan en gaven daar gehoor aan het
verzoek der Christenen, om de Mooren uit de streek van
Lissabon te helpen verjagen. Toen dit gelukt was, begaven
zij zich naar Akko, waar zij aankwamen, nadat Andreas II
reeds was vertrokken. Nu besloten de kruisvaarders Dami-
ate in Egypte te gaan veroveren, eene bloeiende en zeer
sterk bevestigde handelsstad, gelegen tusschen een meer en
een arm van den Nijl. Reeds bij den eersten aanval bracht
een Fries de ongeloovigen in ontzetting, daar hij met reuzen-
kracht eene geweldig zware ijzeren speer naar hen wierp.
Het was den kruisvaarders echter niet mogelijk de stad vol-
doende te naderen, dewijl op een eilandje in den Nijl een
sterk kasteel stond, dat met zware ijzeren kettingen aan de
stad was verbondeift Dit kasteel moest dus eerst genomen
worden, en daarom zett'en de belegeraars op het eiland voet
aan wal; maar wat zij ook ondernamen, het kasteel konden
zij niet bemachtigen, want hunne stormrammen, blijden en
catapulten werden telkens door de steenworpen en het Griek-
sche vuur der belegerden vernield. Toen bedacht Oliver,
een Keulenaar, die eene beschrijving van het beleg heeft
gegeven, op twee schepen een belegeringstoren te bouwen,
waarvan het dak en de zijden met natte huiden behangen
waren om het gevaarte tegen het vuur der vijanden te be-
beschutten. De toren was beneden van eene valbrug voorzien en
boven van eene zeer lange ladder. Onder het hevig schieten der
belegerden werd de toren zoo dicht mogelijk bij het kasteel geva-
ren, en toen men er eindelijk in geslaagd was, de lange ladder
tegen den muur te plaatsen, klauterde een Luiksch ridder het
eerst in de vijandelijke sterkte. Hij werd onmiddellijk gevolgd
door den Fries Hajo uit Wolvega, die met een ijzeren dorsch-
vlegel gewapend, iederen vijand, die hem in den weg trad, neder-
sloeg, en weldra wapperde de kruisvaan op het kasteel. On-
dertusschen hadden de belegerden op eene lagere verdieping
vuur ontstoken, en de hitte en de rook, die dit deed opstij-
gen, maakten de bovenverdieping onhoudbaar, zoodat de kruis-