Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.316
Jerazalemsche baronnen hadden zich voor groote sommen door
de ongeloovigen laten omkoopen. Het geld, waarmede zij
betaald werden, bleek later valsch te zijn, en daardoor kwam
het praatje in omloop, dat God de verraders had gestraft
door het van de Mohammedanen ontvangen goud in koper
te veranderen. De tweede kruistocht had 100,000 menschen
het leven gekost en geen voordeel opgeleverd. Zij, die er het
leven hadden afgebracht, keerden naar Europa terug en be-
schuldigden den heiligen Bernard, die een goeden afloop had
voorspeld, dat hij hen had misleid. Hij wierp die beschuldi-
ging echter met verontwaardiging van zich, en verklaarde,
dat de ongelukkige afloop van den tocht eene strafl'e Gods
was wegens de vele zonden door de kruisvaarders bedreven,
die daardoor de eer hadden verbeurd, werktuigen te worden
in Gods hand.
Maar al was de kruistocht mislukt, de Christenen, die
Jeruzalem en eene menigte andere steden, in 't bizonder ook
kustplaatsen in hunne macht hadden, bleven een levendig
verkeer onderhouden met de Westersche volken. Vooral de
steden van Italië en van Zuid-Prankrijk dreven een aanzien-
lijken handel met het Heilige Land.
Het koninkrijk Jeruzalem begon echter zijne inwendige
kracht te verliezen. De Tempeliers, wier orde spoedig in 't be-
zit was geraakt van groote rijkdommen, begonnen zich evenals
de Johannieters aan ruwheid en losbandigheid over te geven.
De hoogere en lagere geestelijken leidden een ergerlijk leven,
en toen Guy De Lusignan in 1186 den troon van Jeruzalem
had beklommen, was het aanzien des konings zoozeer gedaald,
dat noch geestelijkheid, noch ridderschap hem gehoorzaamde.
De strijd met de Saracenen duurde intusschen onafgebro-
ken voort. De grenzen des rijks krompen meer en meer in,
en terwijl zedeloosheid de algemeene verzwakking steeds deed
toenemen, werden de vijanden der Christenen plotseling met
nieuwe geestkracht bezield.
Saläh Eddïn, een Koerdisch opperhoofd in dienst van den