Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.313
den ook somtijds ongeloovigen. Terwijl zij aan hunne kran-
ken, wanneer het noodig was, de uitgezochtste spijzen toe-
reikten, gebruikten zij zeiven het grofste voedsel. Menige vorst
schonk den Johannieters goederen in Syrië of in Europa, om
hen in staat te stellen hun werk der liefde steeds op uitge-
breider schaal te kunnen volbrengen, en zoo werd het klooster
allengs zeer rijk. Met het toenemen van dien rijkdom ging
echter de geest van eenvoud langzamerhand verloren. De
Johannieters zochten zich onafhankelijk te maken van het
wereldlijk en geestelijk gezag, en eindelijk wisten zij van
paus Paschalis II het recht te verkrijgen, hun eigen prior
te verkiezen, aan wien zij onbepaalde gehoorzaamheid ver-
schuldigd waren.
Tijdens de regeering van Boudewijn II (1118—1131), den
derden koning van Jeruzalem, verbonden zich negen ridders
om eene geestelijke orde te stichten. Zij legden den patriarch
de gewone monnikengeloften van kuischheid, gehoorzaamheid
en persoonlijke armoede af, maar verbonden zich tevens de
ongeloovigen te bestrijden. Een hunner, Hugo de Payens,
werd tot hun hoofd of grootmeester benoemd. Koning Bou-
dewijn II gaf hun een gedeelte van zijn paleis, dat nabij
de plaats lag, waar Salomo's tempel gestaan had, tot woning,
en daarom noemden de ridders zich Tempelbroeders of Tem-
peliers. Zij leefden hoogst eenvoudig, droegen een witten
mantel met een rood kruis en hielden het hoofdhaar kort,
overeenkomstig de woorden van den apostel Paulus, 1 Cor.
XI : 14. ,/Of leert u de natuur zelve niet, dat zoo een man
lang haar draagt, het hem tot oneer is?" Weldra verbreidde
zich de roem der Tempeliers en breidde hun aantal zich uit.
Dit wekte den naijver der Johannieters op. Onder dezen be-
vonden zich verscheidene broeders, die vroeger als ridders
aan den krijg hadden deelgenomen. De tijdelijk uitgedoofde
strijdlust ontbrandde opnieuw bij hen, en met goedkeuring
van hun prior gordden zij de wapenrusting weder aan. Ver-
scheidene ridders traten toe tot de orde der Johannieters,