Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.309
denheid onder de kruisvaarders teweeg, en de aanvoerders
besloten hiervan partij te trekken om een geduchten uitval
te wagen. Ieder, die niet te zwak was om de wapenen te
voeren, nam er deel aan, en daar men slechts driehonderd
paarden bijeen kon brengen, moesten de meeste ridders te
voet strijden.
Zoodra de kruisvaarders de stad verlieten, gaf de bevel-
hebber van 't kasteel er door een teeken kennis van aan
Korboga, die juist bezig was eene partij schaak te spelen.
Hij achtte de Christenen zoo weinig, dat hij bevel gaf een
paar duizend ruiters tegen hen te laten oprukken. ïoendeze
teruggeslagen waren en zijne bevelhebbers hem smeekten, het
leger in slagorde te scharen, gaf hij, vertrouwende op zijne
overmacht, ten antwoord, dat eerst alle Christenen de stad
maar moesten verlaten, dewijl hij hen dan in één slag kon
vernietigen. Hij zette daarop zijne schaakpartij voort. De
kruisvaarders, aangemoedigd door het behaalde voordeel,
drongen, zoo haastig zij konden, de legerplaats der vijanden
binnen, die daarop de vlucht namen. Wel konden de Chris-
tenen wegens gebrek aan ruiterij hen niet vervolgen, maar
zij maakten zich meester van de onmetelijke schatten en den
overvloed aan levensmiddelen, door de vijanden achtergelaten.
Spoedig daarop moest het kasteel zich overgeven, en nu nam
Boëmond den titel aan van vorst van Antiochië.
Nadat de kruisvaarders zich tengevolge van de onderlinge
twisten hunner aanvoerders en vati pestziekten, die opnieuw
duizenden ten grave sleepten, nog langen tijd in Antiochië
hadden opgehouden, braken zij eindelijk in 1099 naar Jeru-
zalem op. Na een moeilijken tocht bereikten zij, nog slechts
20,000 man voetvolk en 1800 ridders sterk, eene hoogte
nabij EmmSus, van waar zij de heilige siad konden zien. Op
dat gezicht maakte zich eene onbeschrijfelijke geestdrift van
hen meester. Alle uitgestane gevaren vergetende, hieven zij
lofliederen aan, en was het hun, of het doel van den tocht
reeds bereikt was. Toch wachtte hun nog een zware strijd.