Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.308
Toen daarop de touwladder brak, liepen de ridders aan den
voet van den toren eene kleine deur, die zich daar bevond,
open, en zoo hadden de kruisvaarders toegang tot de stad.
Zoodra het dag was geworden, stormden zij de straten bin-
nen, en, geholpen door de in Antiochië wonende Christenen,
vermoordden zij onder den kreet „God wil het!" alle ongeloo-
vigen, die zij konden opsporen: mannen, vrouwen en kinderen.
Nog eer de Christenen het kasteel hadden veroverd, dat
de stad beheerschte, en waarin vele bewoners van Antiochië
eene schuilplaats hadden gevonden, verscheen Korboga met
zijn geducht leger. Nu waren de kruisvaarders opnieuw aan
gebrek ter prooi, want van de kust konden geene levens-
middelen meer worden aangevoerd. Er ontstond zulk eene
moedeloosheid, dat velen, en onder hen ridders, die tot nu
toe de grootste dapperheid aan den dag hadden gelegd, zich
langs touwen over den muur lieten glijden om te trachten
door de Saraceensche liniën te sluipen, en de terugreis naar
het vaderland aan te nemen. Boëmond bedreigde deze lafaards,
die den scheldnaam touwloopers kregen, met de zwaarste
straffen, en liet op den muur gestreng wachthouden om
het vluchten te beletten.
Op eene zonderlinge wijze werd eensklaps de moed der
Christenen weder opgewekt. Een Proven^aalsch monnik, Petrus
Bartholomeüs, verklaarde, dat hem de apostel Andreas in
een droom was verschenen en had aangekondigd, dat de
lans, met welke de Romein Longinus de zijde van Jezus
aan het kruis had doorstoken, in eene der kerken te Antio-
chië verborgen lag. Ofschoon bisschop Adhemar, Tancredo
en andere aanvoerders geen geloof aan de woorden des mon-
niks sloegen, liet men hem begaan. Hij zette twaalf mannen
op eene door hem aangewezen plaats aan 't graven. De kuil werd
steeds dieper; maar men vond niets. Toen de avondscheme-
ring viel, sprong Petrus Bartholomeüs in den kuil, en wel-
dra toonde hij eene verroeste lanspunt, die, naar zijn zeggen,
de bedoelde was. Deze vondst bracht eene groote opgewon-