Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.306
De hoofdmacht der kruisvaarders kwam in 't voorjaar van
1097 voor het sterke Antiochïë. Het vruchtbare dal van den
Beneden-Orontes, in iietwelk de stad gelegen is, gaf ruim-
schoots vergoeding voor al de ontberingen, die de kruisvaarders
hadden moeten uit^taan. Veertien dagen lang leefden zij op
de meest overdadige wijze, en de bezetting van Antiochië liet
hen rustig hun gang gaan, wel wetende, dat zulk een leventje
— van het vee at men de beste stukken; het overige wierp
men weg — gebrek na zich moest sleepun.
Daar de belegerden zich zoo rustig hielden, meenden de
kruisvaarders, dat de stad bij de eerste bestorming zou be-
zwijken, doch hierin werd men bitter teleurgesteld. Zoodra
de Christenen hunne aanvallen begonnen waren, legde de
bezetting eene groote bedrijvigheid aan den dag. Telkens deed
zij uitvallen, en liet zij door ruiters de convooien, die levens-
middelen voor de belegeraars aanvoerden, oplichten. Wel
weerden dezen zich moedig, en verrichtte menig ridder, met
name Tancredo, wonderen van dapperheid j maar dit kon niet
verhinderen, dat de kruisvaarders gebrek kregen en er weldra
zulk een honger.-iuood onder hen ontstond, dat de onbemid-
delde krijgers boomschors en leder kookten om daarmede
hunne behoefte aan voedsel te bevredigen. De honger en de
besmettelijke ziekten, die tengevrflge van de slechte voeding
uitbraken, deden duizendefr bezwijken, en daar vele lijken
onbegraven bleven, werd de lucht in de K-gerplaats zor) ver-
pest, dat de sterfie steeds toenam. Vele kruisvaarders verlieten
nu het leger om een goed heenkomen te zoeken. Peter van
Amiens, die ook twchtte te ontsnajjpei), werd door Tancredo
ingehaald en naar 't leger teruggevoerd. Langzamerhand be-
gonnen de Christenen hunne ellende te beschouwen als eene
straf, hun door God opgelegd wegens iiunne zonden, en daarop
namen de aanvoerders, onder welke Boëmond thans het
meeste aanzien had, omdat Godfried van Boudlon nog niet
van zijne wond hersteld was, maatregelen, om diefstal, roof
en zedeloosheid bij de kruisvaarders te keer te gaan, terwijl