Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.293
waren bedreven in 't boogschieten. Zij leidden een nomaden-
leven en woonden in tenten van dierenhuiden, die zij met
hun weinigje huisraad op tweewielige wagens vervoerden,
wanneer zij van woonplaats veranderden. Paardevleesch was
hun meest geliefd voedsel; maar zij versmaadden honden,
katten, ratten en muizen niet. Even weinig kiesch waren
zij op hunne dranken. Onrein water en paardebloed was vol-
doende om hun dorst te lesschen, en van de melk hunner
merries bereidden zij een bedwelmenden drank. Als zij er
gelegenheid toe hadden, gingen zij zich aan goede spijzen en
dranken te buiten. Tegen de koude beschutt'en zij zich met
pelzen en tegen de slagen der vijanden met harde lederen
pantsers. Het huiselijk leven stond bij hen op een lagen trap.
De Mongool kocht zich ééne of meerdere vrouwen, die als
slavinnen werden behandeld. De zoon erfde niet alleen het
vee en de goederen, maar ook, slechts met uitzondering zijner
moeder, de vrouwen van zijn vader. Van zedelijkheid hadden
zij zoo weinig begrip, dat zij het breken van beenderen, het
laten vallen van vleesch, het slaan met een zwaard door eene
vlam, enz. als iets misdadigs beschouwden. Zij geloofden sterk
aan voorteekenen en waarzeggerij.
Te midden van dit volk werd in 1154 Temoedschin gebo-
ren. Hij was de zoon van een der Mongoolsche opperhoofden
en verloor, toen hij nog jong was, zijn vader. Daar de Mon-
golen aan geen knaap wilden gehoorzamen, zocht Temoed-
schin eene schuilplaats bij een naburigen vorst, Oeng-Khan,
die hem, toen hij volwassen was, zijn gansche vertrouwen,
en zijne dochter tot vrouw schonk. Dit wekte den naijver
op van een der raadslieden van Oeng-Khan, wien de ijver-
zuchtige weldra wist te doen gelooven, dat zijn schoonzoon
hem van den troon wilde stooten. Zoodra Temoedschin be-
merkte, dat zijn schoonvader vijandige plannen jegens hem
koesterde, vluchtte hij naar den Mongoolschen stam, tot
welken hij behoorde, en werd eerlang door dezen tot hoofd
gekozen. Hij trok daarna tegen Oeng-Khan op, en toen hij