Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.292
Nu besloten Isabella en Mortimer het einde van den on-
gelukkigen vorst te verhaasten. Zij stelden hem onder het
toezicht van den ruwen ridder John Maltravers, die hem tel-
kens van verblijf deed veranderen, opdat 's konings vrienden
niet te weten zouden komen, waar hij zich bevond, en die
hem op de laagste wijze kwelde. Om hem onkenbaar te
maken, werd hem de baard afgeschoren; wenschte hij te
eten, dan gaf men hem andere spijzen, dan hij verlangde;
niet zelden werd hij wakker gehouden, als hij behoefte had
aan slaap. Eindelijk bracht men hem in een onderaardsch
gewelf van het kasteel Berkeley, en toen de bedorven lucht
hem nog niet spoedig genoeg uit den weg ruimde, vermoordde
men hem op zijn bed, door hem een dun gloeiend ijzer in
het onderlijf tot diep in de ingewanden te steken, en op die
wijze alle teekenen van uiterlijk geweld te voorkomen. Wie
het bevel tot dien afschuwelijken moord gaf, is steeds een
geheim gebleven.
Dschengis-Khan.
Ten Zuiden van Siberië ligt het ontzettend groote hoogland
van Achter-Azië, welks middelste gedeelte door de woestijn
Gobi wordt ingenomen. De Noordenwind is er de heerschende
en maakt het er koud en zóó droog, dat er zelden regen of
sneeuw valt; in den zomer heerscht gedurende een paar
maanden eene verzengende hitte gedurende den dag, waarop
dan weder een ijskoude nacht volgt. Even ruw als het klimaat
waren de Mongolen, de bewoners dier hoogvlakte. Hun uiter-
lijk was terugstootend: klein van gestalte met een lang boven-
lijf en korte, magere beenen, sterk uitstekende wangbeen-
deren en een platten neus. Op hunne wangen groeide geen
baard, en het hoofdhaar schoren zij gedeeltelijk af, zoodat
slechts achter ieder oor eene lange, ineengedraaide lok afhing.
Zoo vrouwen als mannen reden voortdurend te paard, en