Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.287
clanhoofd had daardoor iets aartsvaderlijks. Men kent de
namen en kenteekenen van vijf en veertig clans. Tot de
voornaamste clans behoorden Cameron, die den eikj Campbell,
die den mirt; M'Donald (M' beteekent Mac = zoon), die
de dopheide tot kenteeken had. Alle leden droegen het ken-
teeken der clan aan hunne muts; de hoofden bovendien nog
twee adelaarsveeren. Later nam iedere clan eene nationale
kleederdracht aan van stoffen met ruiten van verschillende
heldere kleuren, zoodat zij daardoor van de andere te onder-
scheiden was.
Vooral de Hooglanders vonden de Engelsche opperheer-
schappij ondragelijk, en weldra zag John Baliol zich genood-
zaakt, aan Eduard I de gehoorzaamheid op te zeggen. Ter-
stond zond de Engelsche koning den bekwamen veldheer
Warenne, graaf van Surrey, met een leger in Schotland. Bij
Dumbar ontmoette het Schotsche leger de Engelschen. T)e
Hooglanders waren vol moed en de verschillende clans be-
twistten elkander de eer, het eerst aan te vallen. Daar zij
echter ongeharnast waren, stonden zij bloot aan de wisse
pijlen der beroemde Engelsche boogschutters, die, daar zij
de pezen hunner handboogen niet zooals andere volken tot
aan de borst, maar tot aan het rechteroor spanden, door hun
ver schot uitmuntten. Ondanks den leeuwenmoed, waarmede
zij streden, werden de Schotten verslagen. John Baliol werd
daarop afgezet, en Eduard I nam bezit van Schotland. Om
den Schotten te doen gevoelen, dat zij voortaan geen eigen
koning meer zouden hebben, liet Eduard I den grooten steen
te Scone, op welken alle vorige koningen van Schotland
gekroond waren geworden, en, volgens de overlevering, eens
de aartsvader Jacob had gerust, naar de Westminster abdij
voeren, die met hare omgeving in de zeventiende eeuw een
deel van Londen begon uit te maken. De onwil, waarmede
de Schotten het Engelsche juk droegen, werd niet weinig
vermeerderd door de willekeurige handelingen van den En-
gelschen landvoogd Warenne en de afpersingen van den schat-