Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.280
op diens goederen had gevonden, eischte Richard er de uit-
levering van. Guidomar wilde er slechts een gedeelte van
afstaan, en daarop werd zijn kasteel Chalus door Richard
belegerd. De zwakke bezetting, inziende, dat zij zich niet lang
kon staande houden, bood aan, zich over te geven, op voor-
waarde, dat haar vrije aftocht werd toegestaan. Richard ant-
woordde, dat hij allen, die in 't kasteel waren, levend in
handen wUde hebben om hen te kunnen doen ophangen, en
daarop besloot de bezetting tot een strijd op leven en dood.
Eens dat Richard met Mercadé, den aanvoerder zijner krijgs-
macht, om het kasteel reed, ten einde na te gaan, waar het
de beste gelegenheid voor eene bestorming aanbood, werd
hij door een pijl in den linker schouder zwaar gewond. Toen
kort daarna het kasteel was ingenomen, beval Richard, dat
alle verdedigers, die in zijne handen waren gevallen, moesten
worden opgehangen, met uitzondering van den boogschutter,
die hem de doodelijke wonde had toegebracht. Richard liet
dezen voor zich brengen en vraagde hem: ,/Wat heb ik u
misdaan, dat gij mij hebt willen dooden?" De boogschutter
antwoordde: „Gij hebt mijn vader en twee mijner broeders
omgebracht; om u te doen sterven wil ik alle pijnen door-
staan." Richard schonk den man genade, doch buiten zijn
weten liet Marcadé hem het leven benemen. Niet lang daarna
ontsliep Richard. Hij had zijn broeder Jan zonder Land tot
opvolger benoemd.
In Engeland werd Jan zonder tegenkanting als koning ge-
huldigd , maar de baronnen van de erflanden der Plantage-
nets in Erankrijk beweerden, dat Arthur, de vijftienjarige
zoon van Godfried, den overleden broeder van Jan, het meeste
aanspraak had om hun leenheer te zijn. Eilips II August
nam Arthur in bescherming, en weldra zag Jan zich genood-
zaakt, Bretagne aan Arthur af te staan en den Eranschen
koning als opperleenheer voor de bezittingen der Engelsche
kroon in Erankrijk trouw te zweren.
Ondertusschen had Jan zich van zijne gemalin, met welke