Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.270
doen, en toen deze het vernomen had, begaf hij zich
naar zijn paleis om hen aan te hooren. Toen allen bij-
een waren, sprak de bisschop van Auxerre in naam van alle
kerkvoogden: ,/Sire! weet, dat al deze prelaten, die in uwe
tegenwoordigheid zijn, mij laten zeggen, dat gij de gansche Chris-
tenheid doet verloren gaan." Op deze woorden maakte de
koning het teeken des kruises en zeide: //Bisschop! zeg mij
hoe dat geschiedt en om welke reden." — //Sire," antwoordde
de bisschop, //omdat er geen acht meer wordt geslagen op
den banvloek. Want tegenwoordig zou iemand liever onder
den banvloek sterven, dan absolutie verwerven en aan de kerk
voldoening schenken. De bisschoppen eischen daarom een-
stemmig van u, Sire! dat het u voor God, en omdat het
uw plicht is, behage, aan al uwe baljuws en andere dienaars
der gerechtigheid te bevelen, dat ieder in uw rijk, die jaar
en dag onder den banvloek staat, gedwongen worde absolutie
te verwerven, door hem van zijne goederen te berooven."
De goede koning antwoordde, dat hij het gaarne zou bevelen
tegen allen, die bevonden werden onrechtvaardig jegens de
kerk of hunne naasten te zijn geweest. De bisschop antwoordde,
dat het den leeken niet toekwam, die zaken te onderzoeken.
De koning hernam, dat hij het anders niet zou doen, en dat
het tegen God en de rede zou zijn, om hen, die van geeste-
lijken onrecht hadden te lijden, tot het vragen van absolutie
te dwingen, zonder hen in hun goed recht te hooren. Als
voorbeeld haalde hij den graaf van Bretagne aan, die gedu-
rende zeven jaar tegen de hoofden der kerk in Bretagne had
gepleit, en zijne zaak zoo goed verdedigd had, dat de Hei-
lige Yader geëindigd was met hen te veroordeelen. Indien
hij dus den graaf van Bretagne na verloop van het eerste
jaar had willen dwingen absolutie te vragen, dan zou hij op
onrechtvaardige wijze aan die prelaten hun zin gegeven, en
grootelijks misdaan hebben tegen God en den graaf van Bre-
tagne. Hierna stelden de prelaten zich tevreden met het
goede antwoord des konings, en sedert heb ik er niet meer