Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.262
machtigste leenman van Prankrijt, en daar zijne moeder eene
kleindochter was van Willem den Veroveraar, werd hij, na
het uitsterven van de mannelijke leden van het Normandische
huis, in 1154 ook koning van Engeland als Hendrik IL
Herhaalde malen zocht Lodewijk VII de macht van Hendrik
door de wapenen te fnuiken, totdat er in 1174 een vrede
werd gesloten, na welken Lodewijk VII spoedig stierf. Hij
werd opgevolgd door zijn vijftienjarigen zoon Eilips II, wien
geschiedschrijvers den bijnaam Augustus hebben gegeven, om-
dat hij het aanzien en de bezittingen der kroon aanzienlijk
heeft vermeerderd.
Tijdens de regeering van Lodewijk VII was het aantal
Joden in Frankrijk zeer toegenomen. Suger, die het afkeurde,
menschen om hun geloof te vervolgen, had hen beschermd,
en daardoor waren er velen uit andere landen overgekomen,
die weldra door hun geldhandel groote schatten bijeenbrach-
ten. Daar zij zich niet ontzagen woekerwinst te nemen, was
de afkeer, dien het volk reeds om het geloof van hen had,
nog sterk vermeerderd, en nu vaardigde Filips II August in
1182 het bevel uit, dat alle Joden, die zich niet binnen
drie maanden lieten doopen, het land moesten verlaten. Tevens
ontsloeg hij de Christenen van de verplichting om de schul-
den, die zij bij de Joden hadden, te betalen, op voorwaarde,
dat 20 pCt. ervan in de koninklijke schatkist zou worden
gestort, terwijl hij de landerijen, die de Joden niet hadden
kunnen verkoopen, voor zich nam. Deze schandelijke daad
werd door de Eransche edelen gebillijkt, en het volk be-
schouwde haar als eene rechtvâardige straf, die den Joden
voor hun woekeren werd opgelegd.
Filips zag zich nu in staat gesteld huurtroepen te werven
om daarmede zijne leenmannen te bestrijden: in de eerste
plaats Hendrik II van Engeland en diens zoon en opvolger,
Eichard Leeuwenhart. Deze huurtroepen. Brabançons, of
naar het lange mes, dat zij als wapen droegen, Coterels ge-
noemd, bestonden niet alleen uit vreemdelingen, maar ook