Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.19
was. Mohammed gaf hierop ten antwoord: //Bij de zijnen."
Aboe Lahad was ermede tevreden en deelde het aan de vijan-
den zijns neefs mede. Maar toen dezen hem toevoegden:
//Hij bedoelt daarmede, dat uw vader in de hel is," begaf
Aboe Lahad zich nogmaals naar Mohammed om hem te vra-
gen of dit werkelijk zijne bedoeling «was, en toen hij hierop
van den profeet ten antwoord had gekregen, dat dit werke-
lijk zijne bedoeling was, wilde hij niets meer van hem weten.
De toestand van Mohammed werd steeds hopeloozer. ïien
jaren had hij reeds gearbeid. Het aantal zijner aanhangers
was gering, en de moeilijkheden werden voortdurend grooter.
Eensklaps echter vertoonde zich de morgenschemering Van
zijne gelukszon.
De Mekkanen en de inwoners van Medina droegen elkander
een erfelijken haat toe. Vele Medinenzers hadden de prediking
van Mohammed gehoord en waren erover voldaan geweest,
al was het alleen, omdat de Mekkanen haar afkeurden.
Daarbij kwam nog, dat de talrijke Joden, die Medina bewoon-
den, voortdurend over de komst van den door hen verwach-
ten messias spraken, onder wien zij de heerschappij over de
andere volken zouden verkrijgen. Dit hinderde de Arabieren
van Medina zoozeer, dat zij groote neiging gevoelden, een gods-
gezant te erkennen, die den messias der Joden vóór was.
Hadden zij zulk een godsgezant in hunne stad, dan zou deze
bovendien wel in staat zijn een einde te maken aan de voort-
Jurende twisten, die er telkens de rust verstoorden.
Zoo kwam het, dat Mohammed, die reeds allerwegen vruch-
teloos naar beschermers had uitgezien, bij de Medinenzers,
wien hij uit overgeërfden afkeer geen goed hart toedroeg, een
willig oor vond. Velen hunner hielden heimelijke samenkom-
sten met hem op eene woeste plek buiten Mekka en lieten
zich door hem bekeeren. Hun aantal was weldra zoo groot,
dat Mohammed begreep, zich met zijne Mekkaansche Moslimien
naar Medina te kunnen begeven. Zijn voornemen bleef niet
verborgen en verontrustte zijne stadgenooten; maar dezen