Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.257
Om aan deze toestanden een einde te maken, begonnen
zich de ingezetenen eener onvrije stad tot eene commune te
vereenigen, vraarbij zij zich verbonden, elkanders personen en
eigendommen met de wapenen te beschermen. Deze beweging
werd meestal gesteund door de koningen, die er een hulp-
middel in zagen om de macht hunner leenmannen te fnuiken,
en zoo wisten de bewoners van menige stad hunne vrijheid
door geweld te verkrijgen. Sommige steden verwierven zich
een geheel republikeinsch bestuur, in welk geval de inge-
zetenen hunne eigene overheden, een maire met twaalf of meer
schepenen, kozen, die de rechtspraak uitoefenden, de belas-
tingen bepaalden en inden, en de gewapende burgers opriepen en
aanvoerden; andere steden kregen slechts voorrechten en waren
dan ondergeschikt aan koninklijke ambtenaren. In dit geval
berustten gewoonlijk bij de burgers de lagere rechtspraak,
de omslag der belastingen, het toezicht op de openbare we-
gen en de voordracht van personen, uit welke de koning de
overheden koos.
Het zinnebeeld der stedelijke vrijheid was de groote klok,
opgehangen in den wachttoren {ieffroi). Zoodra de toren-
wachter eenig onraad bemerkte, luidde hij de klok, op welk
teeken de stedelingen gewapend op eene bepaalde plaats,
loopplaats, verschenen. Ook werd eene klok geluid, om de
ingezetenen ter vergadering op te roepen en om 's avonds,
naar het jaargetijde te acht of te negen uur, te waarschuwen,
dat het vuur en licht in de woningen moest worden uitge-
doofd. Deze maatregel diende zoowel om brand, als om
nachtelijke samenscholingen en aanvallen te voorkomen.
Met behulp van de krijgsmacht der steden konden de ko-
ningen , die in Frankrijk, anders dan in Duitschland, steeds
hun erfelijk hertogdom behielden, zich beter doen gelden.
Zij begonnen de algemeene orde te handhaven, de kasteelen
der roofridders te vernielen en de onderlinge veeten der leen-
mannen te keer te gaan.
Toen Lodewijk VI de Dikke in 1108 den troon beklom,
II. 17