Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.255
trekken. In den nacht vóór het feest begaven zij zich naar
Santa Maria Eormosa, een in de nabijheid van Castello ge-
legen, toen nog onbewoond eilandje en hielden zich daar met
hunne lichte vaartuigen verscholen. Toen de dienst in de
kerk was aangevangen, staken zij met de grootste snelheid
naar het eiland Castello over en drongen met het zwaard in
de vuist alle deuren der kerk te gelijk binnen. In een oog-
wenk maakten zij zich meester van de bruiden en de door hare
dienaren gedragen rijke geschenken, en eer de verbaasde en
ontstelde bruidegoms en bloedverwanten tot bezinning waren
gekomen, hadden zij met den kostbaren last de vaartuigen
bereikt, en verwijderden zij zich, haastig roeiende, van de kust.
De doge Pietro Candiano, die bij de plechtigheid tegen-
woordig was, riep terstond het volk te wapen. Met den groot-
sten spoed werden eenige schepen bemand en weldira zett'en
hij en de bruidegoms de zeeroovers achterna. Begunstigd door
den wind slagen de Venetianen erin, hen in de lagunen van
Caorlo te bereiken. Zij vallen hen met eene onbeschrijfelijke
woede aan en houden er zulk eene slachting onder, dat geen
der zeeroovers er het leven afbrengt. De bruiden werden
nog denzelfden dag in zegepraal naar de kerk geleid, uit
welke zij des morgens ontvoerd waren. Ter herinnering aan
deze gebeurtenis werd geruimen tijd jaarlijks een omgang van
jonge meisjes gehouden en door den doge een bezoek aan
Santa Maria Formosa gebracht.
Tegen het einde der tiende eeuw begonnen de Venetianen
hunne heerschappij uit te breiden op de kusten van Dalmatië.
Bij het toenemen van de inwendige rust en de welvaart achtte
men langzamerhand de uitgebreide macht, die den doge was
verleend, gevaarlijk. Daarom werd hem in 1180 de dgnorla,
een raad van zes leden, ter zijde gesteld, met welke zich in
de dertiende eeuw de raad der veertig, oorspronkelijk eene
rechtbank voor strafzaken, vereenigde. Het machtigst werd
echter op den duur de groote raad, die het recht om alle
staatsambtenaren te benoemen aan zich trok.