Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.348
schepenen en anders schepenbroeders heetten. De burgemeesters
waren de uitvoerders van de besluiten der hoofden of ambts-
lieden van de Eicherzeche, zoodat in Keulen de ambtslieden
en de leden der Eicherzeche dezelfde bevoegdheid hadden,
als in andere steden de stadsraad en de oud-burgers. Zoo
hadden zij het recht belastingen uit te schrijven, en daar zij
deze hoofdzakelijk den handwerkersgilden en den ärmeren
burgers oplegden, ontstonden daarover dikwijls klachten en
twisten. Daarbij kwam nu nog, dat de aartsbisschoppen hun
gezag in de stad zochten uit te breiden door zich in de
twisten tusschen de Eicherzeche en de overige burgers te
mengen. Toen er in 1259 weer zulk een twist was ontstaan,
zocht de aartsbisschop Koenraad Von Hochstaden zich bij de
Eicherzeche aan te sluiten. Hij werd echter afgewezen, op
grond , dat zijn verlangen in strijd was met de stadsvrijheden.
Daarop wendde hij zich tot de rijksten van het weversgilde,
en met hunne hulp slaagde hij erin, het machtige gilde der
Münzer, aan de kerk verbonden ambtenaren, af te schaffen.
Toen kwam de beurt aan de schepenen en de ambtslieden
der Eicherzeche, welke in een kwaden reuk stonden. Zij
werden afgezet en vervangen, gedeeltelijk door leden der
Eicherzeche, maar grootendeels door handwerkslieden, zooals
wevers, slachters, bakkers, brouwers, visschers enz., die als
geringere lieden in de Keulsche kroniek en bij andere oude
schrijvers ezels worden genoemd. Hiermede was echter het
ontevreden deel der bevolking nog niet voldaan. Het ontwa-
pende de afgezette schepenen en ambtslieden en zette twaalf
der voornaamste gevangen, waarop de andere de vlucht namen.
Eenigen uit het volk verlangden, dat de gevangenen ter dood
zouden worden gebracht, doch de aartsbisschop liet hen ont-
vluchten. Ondertusschen liepen de nieuw benoemde overheids-
personen met pauweveeren op den hoed trotsch door de stad,
legden rijken en armen belastingen op, deelden den buit met
den aartsbisschop, en spraken, om in diens gunst te blijven, geen
vonnis uit zonder vooraf zijne meening te hebben ingewonnen.