Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.18
Bedowieaien, hadden de Mekkanen eene eigenlijke regeering.
Ieder Mekkaan stond onder de bescherming zijner familie j
en slechts haar hoofd kon een harer leden in zijne vrijheid
beperken. De aanzienlijken begaven zich daarop naar Aboe
Talib, het hoofd van Mohammed's familie, en verzochten
hem , Mohammed het prediken te verbieden; maar ofschoon
hij met de nieuwe leer niet was ingenomen, en nooit een
Moslim geworden is, was hij te rechtschapen en te vrijheid-
lievend om iemand te verhinderen zijne overtuiging uit te
spreken. Hij weigerde daarom ronduit, zijn neef het zwijgen
op te leggen, en verzekerde dezen zijne bescherming.
Mohammed kon nu voortgaan met prediken, doch dit
werkte niets uit. Terwijl hij sprak, zeide een ander een gedicht
op, verhaalde een tweede een sprookje, maakte een derde
muziek, ja, gingen sommigen zoover, hem met slijk te werpen-
Hij trachtte de ongeloovigen door vrees te bekeeren, maai
om zijne bedreigingen met aardsche straffen, die toch niet
kwamen, lachte men, en zijne vreeselijke beschrijvingen van
de hel, waarin de onbekeerden in een volgend leven terecht
zouden komen, maakten geen indruk, omdat men nu eenmaal
aan geene onsterfelijkheid geloofde. Men begon zelfs dien
Moslimien, welke geen machtigen beschermer hadden, allerlei
(^verlast aan te doen, en enkele slaven en slavinnen, die
Mohammed's leer hadden aangenomen, werden door hunne
meesters ter dood gebracht.
In dezen tijd trof hem een zware slag: Chadidja en zijn
oom Aboe Talib stierven. Nu hij zijn beschermer kwijt was,
kon hij zich nauwelijks buiten zijne woning vertoonen. Wel-
dra echter zeide hem een andere oom, Aboe Lahad, die zijne
verplichtingen jegens zijne familieleden hooger deed gelden
dan zijn afkeer van de leer zijns neefs, bescherming toe.
De aanzienlijke Mekkanen konden deze handelwijze niet anders
dan goedkeuren, maar toch wisten zij een middel te vinden
om hem de hand van Mohammed te doen aftrekken. Zij
overreedden hem, dezen te vragen, waar zijn overleden vader